|
 |
start > Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Op deze pagina staan veelgestelde vragen over het christelijke geloof.
Heeft u zelf een vraag en denkt u dat deze relevant is voor deze pagina, laat het ons dan weten. Ook voor opmerkingen over de Veelgestelde vragen kunt u bij ons terecht.
Hoe tolerant is het christelijke geloof?
Hans de Booij zong het nog niet zo lang geleden:
Tolerantie is de garantie,
dat de wereld niet naar de kloten draait.
Tolerantie is de garantie,
als een zefier die naar het Westen waait.
Als dat waar is (hoewel ik dacht dat de zefier uit het Westen waait, maar goed), wil ik graag de vraag stellen hoe tolerant christenen dan zijn. Zorgen zij en andere gelovigen ervoor dat 'de wereld naar de kloten draait' of leveren zij een echte bijdrage aan vrede en harmonie?
Aldous Huxley (Engels schrijver, o.a. van Brave New World) zei er dit van: 'Elk sterk geloof moet onvermijdelijk leiden tot vervolging en overheersing.' Volgens hem leidt 'alleen scepsis tot verdraagzaamheid en vreedzaam gedrag.' Velen zullen hem dat nazeggen. Als je sterk ergens in gelooft, of het nu in dierenwelzijn is, in monumentenzorg of in God, kun je gemakkelijk fanatiek worden. Je kunt andere standpunten niet meer serieus nemen en je wilt altijd gelijk krijgen. Als je dan ook nog in een positie komt waarin je anderen je wil kunt opleggen, wordt het een griezelige zaak. Overal in de wereld zien we er de resultaten van: een vrouw in Nigeria die wordt gestenigd omdat ze overspel zou hebben gepleegd. Moslims en christenen die elkaar vermoorden in Serviëi en Bosnië. De terreur van de Rode Khmer, van het Stalinisme en van andere fanatieke bewegingen. Maar we hoeven niet eens ver te kijken. Ook in Europa was het nog niet zo vreselijk lang geleden dat de brandstapels rookten.
Kortom, als je per se wilt geloven, doe het dan niet te sterk. Dat is de moraal van het verhaal.
Hans de Booij vindt dat ook, denk ik. Uit zijn liedje blijkt dat alle religies volgens hem op één hoop gegooid moeten worden:
Jezus, Allah, Boeddha en John Lennon
willen ons alle vier hetzelfde vertellen.
Zeehonden in de Wadden,
mensen die elkaar liefhadden.
Dus als je alle religies terugbrengt tot liefhebbende mensen en dierenwelzijn, dan zijn we waar we wezen moeten. Dit nu even afgezien van de vraag of Jezus, Allah, Boeddha en Lennon dit wilden vertellen (in Mekka zijn geen zeehonden, als ik goed ben geïnformeerd).
Klopt het?
Aldous Huxley had het nog niet zo slecht bekeken. Mensen die ergens heel sterk in geloven, zijn inderdaad vaak onverdraagzaam en ze onderdrukken anderen wanneer ze de kans krijgen. Overigens hoef je daarvoor niet te geloven in God. Er zijn zeer veel voorbeelden van mensen die vanuit atheïstische motieven anderen onderdrukten. Dus het verwijt slaat niet alleen op godsdienstige mensen, maar in het algemeen op sterk overtuigde mensen.
Maar is het ook waar dat een sterk geloof onvermijdelijk leidt tot onderdrukking? Dat is wat Huxley stelt. Klopt dat? En is het inderdaad zo dat alleen scepsis (= twijfel) leidt tot verdraagzaamheid en vreedzaam gedrag? Alleen twijfel? Niets anders? Dat is ook wel weer erg sterk uitgedrukt, nietwaar?
Graag wil ik hier die twee vragen bespreken:
1. Klopt het dat een sterk geloof altijd en onvermijdelijk moet leiden tot onverdraagzaamheid?
2. Klopt het dat alleen twijfel leidt tot verdraagzaamheid?
Wat is tolerantie?
Voor we verder gaan, wil ik eerst proberen te omschrijven wat ik versta onder verdraagzaamheid of tolerantie. In Nederland bedoelen we niet allemaal hetzelfde wanneer we die woorden gebruiken.
Stel dat mijn buurman een liefhebber is van keiharde dancemuziek. De hele buurt mag dat weten van hem. Op warme zomeravonden staan de ramen wagenwijd open en dreunt een monotoon gebonk onze tuin en onze huiskamer binnen. Toch besluit ik niet naar hem toe te gaan, maar het te verdragen. Is dat tolerant? Misschien, maar het hoeft niet.
Stel dat ik zelf een enorme liefhebber ben van dancemuziek. Het kan me nooit teveel worden. Wat voor een ander een opoffering zou zijn, is voor mij daarom een genoegen. Ik kan niet wachten tot mijn buurman weer begint. Dat kun je moeilijk verdraagzaam noemen. Om tolerant te zijn, moet je iets verdragen waarvan je niet houdt of waarmee je het niet eens bent.
Stel dat ik doof ben. Ik hoor helemaal niet waarmee buurman bezig is. Dan ben ik niet verdraagzaam, maar het is gewoon niet tot me doorgedrongen. Tolerantie voor iets waarmee je toch nooit te maken krijgt, is nogal goedkoop. Echte tolerantie heeft betrekking op iets wat je leven binnendringt en beïnvloedt.
Stel dat alle soorten muziek me om het even zijn. Muziek zegt me niets, of het nu Bach is, Hans de Booij of Eminem. Het streelt me niet en stoort me niet. Ik ben nu eenmaal passief en toondoof. Dat ik niet reageer heeft dan niets te maken met tolerantie, maar met pure onverschilligheid. Pas als buurman zijn platen in mijn huis wil gaan draaien, zal ik misschien wat gaan mopperen, maar dat doe ik dan niet om de muziek, maar vanwege de vieze voeten op het parket. Om werkelijk tolerant genoemd te worden, zal ik dus wel een beetje verstand moeten hebben van muziek. Ik moet er een standpunt in hebben.
Stel dat mijn buurman enorm groot en sterk is of dat we in een land leven waar geen wetten zijn over geluidsoverlast. De reden dat ik dan niets doe is dat ik geen kans zie om iets te doen. Ik zou het wel willen, maar kan het niet. Dat kun je niet tolerant noemen. Ik verdraag het helemaal niet, maar kan geen actie ondernemen. Verdraagzaam kun je alleen zijn, wanneer je ook een andere keus hebt: namelijk niet verdraagzaam zijn.
Kortom, wat is tolerantie?
In dit voorbeeld zou dat betekenen dat je alleen over tolerantie kunt spreken wanneer je muzikaal geïnteresseerd bent, wanneer je smaak duidelijk verschilt van die van je buurman en wanneer je niet machteloos bent om hem aan te spreken op zijn gedrag.
Hetzelfde geldt voor geloven. Heel veel mensen die praten over geloof en tolerantie zijn zelf niet gelovig en niet geïnteresseerd in geloof. Hun tolerantie gaat vaak niet verder dan: 'Je gaat je gang maar, zolang ik er maar niets van merk.' Maar dat is een wel erg goedkope 'tolerantie': het kost je niets.
Wie is er nu echt tolerant? Ik ga nog een stapje verder: Aldous Huxley suggereerde dat mensen met sterke overtuigingen niet tolerant kunnen zijn. Maar je kunt je afvragen of dat zo is. Ik denk dat het andersom is. Gelovigen hebben in het algemeen een aantal uitgesproken meningen. Zij vinden een aantal dingen absoluut niet prettig. Dat zijn vaak dingen die elke dag hun leven binnendringen via de media, via contacten enzovoort. Soms kunnen ze daarop invloed uitoefenen door onaardig te zijn, door macht uit te oefenen, door te lobbyen enzovoort. Dat betekent dat gelovige mensen bijna elke dag voor de keus staan om tolerant te zijn of niet. Alleen mensen met een mening en een smaak kunnen een andere mening en een andere smaak verdragen. Anders zijn ze gewoon onverschillig, onwetend of ontoegankelijk. Bovendien moeten ze de mogelijkheid hebben om de andere mening en smaak te bestrijden. Anders zijn ze machteloos. Hoe meer overtuiging je hebt en hoe sterker je bent, des te toleranter ben je wanneer je besluit die overtuiging niet aan een ander op te dringen.
Mensen die aan alles twijfelen (sceptici) zijn niet echt verdraagzaam. Wat is er te verdragen als je niet weet wat je zelf vindt? Dan lijk je op iemand die doof is of die muzikaal niet geïnteresseerd is.
Concreet: een niet-gelovige werkgever die zijn werkneemsters toestaat een gebedsbijeenkomst op het werk te organiseren, terwijl hij dat zelf een vreemde gewoonte vindt, is verdraagzaam wanneer hij zijn werkneemsters toestaat dat onder werktijd te doen of een faciliteit van het bedrijf hiervoor te gebruiken. Deze werkgever heeft een mening ('ik vind bidden zinloos') en hij heeft macht ('ik kan mijn werkneemsters verbieden te bidden onder werktijd'), maar hij besluit deze macht niet te gebruiken om zijn mening op te leggen aan zijn werkneemsters. Dat is echter niet het enige: hij helpt hen zelfs om een gelegenheid te vinden om hun samenkomst te organiseren.
Als diezelfde werkgever zegt 'Ik vind alles best als jullie het maar in je eigen tijd doen', is dat niet verdraagzaam, want het raakt zijn leven niet. Bovendien heeft hij geen macht over het privéleven van zijn werkneemsters, dus het is een sigaar uit eigen doos. Verdraagzaamheid moet iets kosten: er moet wel iets te verdragen zijn. Dus pas het feit dat de werkgever toestaat dat zijn werkneemsters op 'zijn' terrein iets doen waarvan hij de zin niet inziet, maakt zijn gedrag werkelijk tolerant.
Een ander voorbeeld. Als christenen die op zondagmorgen naar de kerk gaan dat zo zachtjes mogelijk doen, om hun buren die uitslapen niet te storen, is dat een blijk van tolerantie.
Althans, dat is zo, wanneer zij het niet fijn vinden dat hun buren thuis blijven. Zij zouden graag zien dat meer mensen naar de kerk gaan. Verder hebben zij de mogelijkheid om via slaande autodeuren en luid gepraat het ochtendslaapje van hun buren subtiel te verstoren. Wanneer zij bewust geen gebruik maken van die 'macht', beheersen zij zichzelf om hun buren iets te laten doen waar zij het eigenlijk niet mee eens zijn. Dat is een vorm van tolerantie. Een niet-gelovige die in een dorp woont waar praktisch iedereen naar de kerk gaat en besluit op zondag zijn auto niet te wassen, kan dat doen uit tolerantie. Hij heeft zelf geen bezwaar tegen het wassen van auto's op zondag (eigenlijk is dat de enige dag waarop hij er echt tijd voor heeft, vindt hij zelf), maar hij ziet er vanaf omdat hij weet dat zijn buren er een hekel aan hebben. Hij heeft de mogelijkheid om het toch te doen, maar geeft die macht op om anderen te ontzien, ook al heeft hij er zelf geen voordeel van. Anders is het wanneer hij het niet zou doen, om een contract niet mis te lopen bij de plaatselijke aannemer die ouderling is in de kerk. Dan is hij niet verdraagzaam, maar berekenend. Hij heeft er dan zelf voordeel van. Hij volgt geen menslievende strategie, maar is bezig met zakendoen. Of wanneer hij zijn auto niet wast, omdat hij bang is voor die intolerante rotjochies van de buren die dan waarschijnlijk weer zijn auto zullen bekrassen. Dan is hij bang en dat is wat anders dan tolerant.
Welk geloof?
Kortom, om verdraagzaam te zijn heb je in elk geval een overtuiging nodig. Hoe sterker je overtuiging is, hoe verdraagzamer je in principe kunt zijn. Maar daarin zit een spanning, dat is wel duidelijk. Want juist heel overtuigde mensen staan ook meer bloot aan de verleiding om minder verdraagzaam te zijn. Althans, zo lijkt het.
We hebben gezien dat gelovige mensen (waar ze dan ook maar in geloven) vaak onverdraagzaam zijn. Maar tegelijk zijn juist heel gelovige mensen ook vaak verdraagzaam. Dat geldt vooral wanneer ze leven in een omgeving die hun overtuigingen niet deelt. Dan komen ze elke dag weer voor allerlei afwegingen te staan: 'Verdraag ik dit of zeg ik er wat van?'. 'Protesteer ik of laat ik het over m'n kant gaan?'. Enzovoort.
Het punt is dat we niet in het algemeen over 'geloven' of 'overtuigingen' kunnen spreken. We zullen moeten kijken waarin iemand gelooft. Om het even heel simpel neer te zetten: als iemand er vurig van overtuigd is dat alle donkergekleurde Nederlanders verreweg superieur zijn aan blanken, zal het zo iemand moeilijk vallen om tolerant te zijn tegenover blanken. Voor minderwaardige mensen gelden nu eenmaal andere criteria en andere normen. Van hen hoef je minder te verdragen. Dus zelfs al vindt zo iemand dat hij zelf behoorlijk tolerant is, dan nog kan de ander dat aanvoelen als grote onverdraagzaamheid. De blanken in Noord-Amerika vonden het heel verdraagzaam van zichzelf dat ze de indianen reservaten gaven. Binnen hun denkraam, waarin de indianen nauwelijks mensen genoemd konden worden, was dat ook nog zo. Maar de indianen zelf en andere mensen die dit denkraam niet deelden, keken daar heel anders tegenaan. Waarschijnlijk heeft Huxley dus gelijk wanneer het gaat om dit soort overtuigingen. Als ongelijkheid van mensen als het ware 'ingebakken' zit in je geloof, zul je bijna onvermijdelijk als intolerant worden ervaren, zelfs al vind je jezelf behoorlijk verdraagzaam. Dit is waarschijnlijk een belangrijke reden dat veel migranten hier zich gediscrimineerd voelen, terwijl de autochtone Nederlanders zich in het algemeen behoorlijk verlicht en ruimdenkend vinden. Autochtonen en allochtonen redeneren vanuit een verschillend denkraam en een verschillend mensbeeld. Huxley zegt dat alleen twijfel ons verder brengt. Maar het punt is dat mensen die aan alles twijfelen niet bestaan. Iedereen heeft wel een bottom-line, een bodem onder z'n leven. Er is altijd wel een aantal dingen die je onopgeefbaar vindt, al is het maar je rust en je comfort. Mensen die gelovigen verwijten dat ze een te sterk geloof hebben, hebben zelf vaak een aantal in beton gegoten overtuigingen. Bijvoorbeeld dat alle religies op hetzelfde neerkomen (hoe weet je dat?), of dat mensen het in feite goed bedoelen, of dat de wetenschap uiteindelijk al onze problemen zal oplossen, of ...
Twijfelen doe je op basis van dingen die je zeker weet. Als je echt aan alles twijfelt, zul je ook moeten twijfelen aan je eigen twijfel. De meeste mensen kiezen echter eerst een uitgangspunt dat ze min of meer zeker stellen en bewaren hun twijfels voor standpunten waarmee ze het niet eens zijn.
Daarom verschillen gelovigen en niet-gelovigen helemaal niet zoveel van elkaar als weleens wordt gedacht. Niet-gelovigen geloven ook in een aantal zaken die voor hen onopgeefbaar zijn en ze kunnen behoorlijk intolerant reageren als daaraan wordt geknaagd. Dat geeft op zich niet - niemand kan zonder iets waarin hij of zij gelooft en waarvoor hij of zij gaat, maar laten we het dan eerlijk zeggen en niet net doen alsof twijfelen aan alles mogelijk is.
Christelijk geloof Kortom, het is niet zozeer gelovig zijn dat mensen intolerant maakt. Het is de inhoud van het geloof dat daarvoor zorgt. Nogmaals, als je gelooft dat sommige mensen minder waard zijn dan andere, dan zul je snel intolerant worden. Maar als je sterk gelooft in de gelijkwaardigheid van mensen, zul je waarschijnlijk tolerant zijn. Uiteindelijk zal dat in de praktijk moeten blijken.
Christenen geloven dat mensen voor God gelijk zijn. Niet alle christenen leven volgens dat principe, maar daarop kunnen ze dan aangesproken worden. Christenen geloven dat niemand uit zichzelf goed genoeg is om bij God te horen. Ook zijzelf niet. Het kwaad zit niet allereerst in 'de anderen', maar in jezelf. Tegelijk geloven christenen dat mensen oneindig bemind worden door God en dat zij bij hem kunnen horen wanneer zij dat echt willen.
Christenen geloven dat mensen elkaar gaan onderdrukken, zodra zij God kwijtraken. Als wij geen horizon buiten onszelf hebben (een God voor wie wij allemaal gelijk zijn), gaan wij ons automatisch vergelijken met elkaar. En al zeggen wij het nog zo vaak anders, stiekem zullenwij ons beter voelen dan sommige andere mensen. Voor de een betekent dat dat hij of zij zich verheft boven mensen van een ander ras, voor een ander dat hij of zij zich intelligenter voelt dan gelovige mensen, voor weer een ander dat hij of zij zich fatsoenlijker voelt dan 'zondaren'. God laat ons zien dat uit onszelf geen van allen goed genoeg zijn en dat wij tegelijk door zijn kracht prachtige mensen kunnen worden.
Dit besef is een geweldige 'gelijkmaker' en een bron van echte verdraagzaamheid. Ik hoef anderen niet af te schrijven, want ik ben zelf niet beter dan wie dan ook. En ik hoef mezelf niet af te schrijven, want er is hoop voor iedereen.
Waarop hopen christenen eigenlijk?
De toekomst en mijn toekomst
Volgens een onderzoek kijken Nederlanders behoorlijk somber tegen de toekomst aan. Daar zijn ook wel redenen voor. Ik noem maar even een paar dingen:
- de criminaliteit neemt toe. Je hoort steeds vaker dat mensen op straat in elkaar geslagen worden of zelfs vermoord. Het is vragen om moeilijkheden wanneer je iemand recht aankijkt op straat, zoals fatsoenlijke mensen doen;
- het milieu gaat ook niet al te best. Bijna elke week verschijnen berichten over opwarming van de aarde, zeespiegelstijging, klimaatveranderingen, de Waddenzee, vervuiling en ga zo maar door;
- de pensioenen komen in gevaar. Waarschijnlijk zal Nederland in 2030 (ongeveer de tijd dat ik met pensioen ga) voor meer dan de helft uit vijftigplussers bestaan. De AOW kan dan nauwelijks meer opgebracht worden ;
- steeds meer mensen zijn eenzaam, steeds meer mensen komen uit gebroken gezinnen en hebben nog nooit een goede relatie gezien.
Zo kan ik nog wel even doorgaan. Als je het tot je door laat dringen, word je er wel een beetje benauwd van. Toch? Maar als ik eens eerlijk aan mezelf vraag: 'Maak je je er nu echt zo druk over?' Dan moet ik toch zeggen van niet. En volgens mij geldt dat voor de meeste mensen. Er is een verschil tussen de toekomst en mijn toekomst. Wanneer je mensen vraagt of ze hun eigen leven ook somber inzien, krijg je vaak heel andere antwoorden. De meeste mensen geloven of hopen toch wel op een goede toekomst voor henzelf. Gezondheid, een leuke familie, een goede baan, genoeg geld om leuke dingen van te doen, af en toe op vakantie. Dat soort dingen.
Geen zorgen ...
Om eerlijk te zijn, geldt dat voor mezelf ook: ik zie ook wel dat het niet zo best gaat met Nederland en met de wereld. Al die oorlogen en natuurrampen! Maar mijn eigen leven zie ik helemaal niet zo somber in. Waarom zou ik? Ik ben jong, gezond (denk ik). Ik heb een leuk gezinnetje. Twee kinderen, een jongen en een meisje. We hebben goede vrienden. Een auto, niet te groot en niet te klein. Een huis met een tuin, gehuurd weliswaar, maar toch... We kunnen elk jaar op vakantie. Zo te zien, komen er geen rampen aan. Ik leef in een van de rijkste en veiligste landen van de wereld. Er is meer gevaar dat mijn kinderen sterven van teveel eten dan van te weinig. Waarom zou ik me zorgen maken? Morgen is ver weg. Wat er later komt, zien we dan wel weer. En misschien komen er nog allerlei nieuwe uitvindingen die alle problemen oplossen.
Natuurlijk, ik maak me ook wel eens zorgen. Stel je voor dat een van ons ziek wordt. Of dat het huis afbrandt met alle fotoalbums. Stel je voor dat een van de kinderen wordt doodgereden. Je kunt ook werkloos worden of arbeidsongeschikt. Dat kan allemaal. En het gebeurt ook om ons heen. Mijn eigen grootste angst is om blind te worden. Vreselijk lijkt me dat. En als je erover nadenkt hoe gemakkelijk dat kan gebeuren ... Zo hebt u waarschijnlijk ook wel van die verborgen angsten. Dingen waar je liever niet aan denkt. Net zoiets als kiespijn. Als je eraan denkt, wordt het erger.
Maar wat heb je eraan, al die zorgen? Je kunt er wakker van liggen, maar lost het iets op? Jezus zei ooit eens - en voor een zorgelijk iemand als ik is dat iets om me aan vast te houden - dat je je niet bezorgd moet maken voor de dag van morgen. 'Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.' Hij wees op de bloemen in het veld, naar de vogels in de lucht en hij vroeg of zij zich ooit bezorgd maakten. 'En toch,' zei hij, 'zorgt hun hemelse Vader voor hen. Zij hebben altijd genoeg. Eén zo'n bloem is mooier dan de machtigste koning.' Kun je jezelf langer of korter maken door bezorgd te zijn? Wat is het nut? Ik denk dat Jezus bedoelde dat wij ons niet zo druk moeten maken over wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Laten wij ons bezighouden met wat er gebeurt. Dat is meer dan genoeg. En bovendien, zegt Jezus (of u dat gelooft, weet ik niet): 'Als je zo bang bent voor wat er allemaal kan gebeuren, vergeet je dan niet dat God bij je is?' Het is toch niet normaal dat een kind met goede ouders zich elke dag bezorgd zou maken of het morgen wel eten en kleren heeft. Daarop mag je toch vertrouwen? Voor mij betekent dat niet dat er nooit iets met mij of met mijn kinderen zal gebeuren. Christen - zijn is geen levensverzekering of oudedagsvoorziening. Maar het betekent dat wanneer ellende over mij komt, er Iemand bij me is, die me nooit alleen zal laten. Iemand die mij beter kent dan wie dan ook. Laat ik dit goed duidelijk maken. Christenen hebben net zoveel verdriet als wie dan ook. Zij hebben geen gemakkelijker leven. Maar zij hoeven het niet alleen te leven.
Wat is zeker?
Nu even terug naar de toekomst. Jezus zei het al: Van bezorgd-zijn word je geen meter langer. Dat is zo. Als dingen gebeuren, kun je er meestal niets aan doen. En bovendien weet je toch niets zeker? Er is niets zo onzeker als de toekomst. Wat er over een minuut gebeurt, is al een grote verrassing. Als alles normaal verloopt, krijgen we vandaag weer eten. Laten we het tenminste hopen. We gaan naar ons werk en dan weer naar huis, denken misschien nog eens na over de dag. We gaan morgen weer naar ons werk en over een tijdje genieten we van vakantie. We kijken tv en eens per jaar wensen we elkaar een gelukkig nieuwjaar. Dat is zo ongeveer de planning. Maar of dat allemaal ook zo gebeuren zal? We weten het niet.
Hoe ziet onze toekomst eruit? Zegt u het maar. We hebben plannen, maar geen zekerheden. Behalve één: we gaan een keer dood. Ook niet fijn: heb je een zekerheid en dan is het dit! Het kan morgen zijn, het kan nog lang duren. Maar het is een feit. We kunnen maar van één ding zeker zijn en dat is dat ons leven een keer ophoudt. Ik ben dertig en dat betekent met de gemiddelde levensverwachting in Nederland dat ik nog vijftig jaar te gaan heb, als er geen gekke dingen gebeuren. Dat klinkt lang, maar in feite heb ik al meer dan een derde gehad. En dat ging al zo snel! Ik ben nu in mijn 'beste jaren', zoals dat heet. Over tien, vijftien jaar zijn die ook voorbij. En ergens in de bossen van Noorwegen of Zweden groeit nu al de boom die straks het hout zal leveren voor mijn doodskist. Over 100 jaar is iedereen vergeten dat ik ooit geleefd heb. Laat ik het maar onder ogen zien. U bent misschien ouder. U hebt op een goede morgen al eens in de spiegel gekeken en gedacht: Het beste is er af. Je wordt wat zwaarder, je haargrens zakt wat naar onderen. Sporten ging vroeger veel beter. Je denkt na over je vroegere idealen. En je moet concluderen dat je niet zo beroemd bent geworden als je altijd wilde zijn. Het grootste deel van je leven is achter de rug. De eerste rimpels verschijnen. Misschien heb je al eens gedroomd over je eigen dood. Dat gebeurt zo rond de veertig voor het eerst. Het is misschien wel het meest drukkende probleem voor mensen overal op de wereld en in elke tijd: de biologische doodstraf die we allemaal krijgen.
Eerst even dit. Misschien denkt u: 'De aap komt uit de mouw.' Hij gaat me nu bang maken voor de dood. Het heeft even geduurd, maar je zult zien, straks komt hij met de hel op de proppen. Want daar ga ik natuurlijk heen volgens hem. Hij wil me nog gauw even bekeren. Wees gerust. Ik probeer u niet bang te maken en zo het geloof aan te praten. Ik geloof er niks van dat dat zou lukken, dat in de eerste plaats. U wordt niet zo gauw bang. Maar het lijkt me ook geen goede reden om te gaan geloven. God zit niet te wachten - en wij ook niet - op mensen die in een opwelling gaan geloven. Mensen die denken: 'Baat het niet, dan schaadt het ook niet.' Geloven is geen 'pie in the sky when you die.' Jezus heeft gezegd: Wie een huis wil bouwen, berekent eerst de kosten. Je zou ook kunnen zeggen: als je een auto wilt kopen, kijk dan eerst onder de motorkap. Het enige dat ik u wil vragen is: luister gewoon eens en neem eens rustig de tijd om hierover na te denken. Laten we een beetje reëel zijn. Hoe ziet uw toekomst eruit? Weten we niet. We weten alleen dat we over niet al te lange tijd dood gaan. Dat is zeker. De vraag is: 'Wat betekent dat voor ons?'
De biologische doodstraf
Mensen hebben het moeilijk met de dood. Je kunt je van de wieg tot het graf verzekeren, maar daarna? Hoewel, er zijn mogelijkheden! Ik heb eens wat gesurfd op het internet. Daar kwam ik een site tegen van iemand die zich na zijn dood wil laten invriezen. Het schijnt dat er een hele vereniging bestaat van mensen die dat doen. Ze hopen dat ooit de techniek zo ver gevorderd zal zijn dat in principe elke ziekte genezen kan worden. Dan kunnen zij weer tot leven worden gewekt en altijd verder leven. Dat kost natuurlijk wel wat. Een bevriezingsverzekering kost 200 euro per jaar. Voor 500 euro per jaar kun je er zelfs verzekerd van zijn dat er altijd ergens een team klaarstaat om je in te vriezen wanneer je iets overkomt. En voor de smalle beurs is het ook mogelijk om alleen je hoofd in te laten vriezen. Dat zetten ze dan later wel weer op een ander lichaam. Dit kost 100 euro per jaar. U vindt dat misschien duur voor uw hoofd, maar zoals de site zegt: het is '... een lage prijs voor de kans op onsterfelijkheid.' Het is nu allemaal nog niet mogelijk, maar als de vereniging gelijk krijgt, kunnen zulke mensen over een x-aantal jaren altijd maar doorleven.
Waar komt dit nu vandaan? Ik denk dat het hiermee te maken heeft dat wij allemaal ons er toch maar moeilijk bij neer kunnen leggen dat het na zeventig, tachtig jaar met ons is afgelopen. Wij leven maar zo kort en wij zijn maar zo onbetekenend. Een schouderophalen van de eeuwigheid. En zo is het. Wat zou er eigenlijk op onze grafsteen komen te staan? Wat vindt u dat er op moet staan?
Maar dat is toch onuitstaanbaar?! Waar is al mijn zwoegen en harde werken nou goed voor? Je wordt geboren, leeft een aantal jaren, doet je best, werkt elke week tot het weekend is, maakt in je vakanties het geld op dat je door het jaar hebt verdiend, zet een paar kinderen op de wereld, gaat met pensioen, maakt een mooie cruise. Ondertussen doen we krampachtige pogingen om dit miezerige leven te verlengen: we leven gezond, we joggen, eten matig, doen aan lichaamsbeweging, gaan op dieet, fitnessen, aquagymmen, gaan naar de dokter, slikken vitaminen. Als we daarvan niet langer gaan leven, lijkt het in elk geval wel langer. Ondertussen hopen we vurig (met af en toe een schietgebedje) dat we niet invalide worden of iets anders, waardoor het allemaal nog minder wordt. We halen eruit wat erin zit. Maar veel is het niet, als je het bekijkt over een heel leven. En dat is het dan. Afgelopen. Volgende generatie. En we beginnen weer van voren af aan ... Voor veel mensen is dit moeilijk te verdragen. We hebben het idee dat we bijzonderder zijn dan dat. Zo voelen we dat toch? Kijk eens naar jezelf. Zouden al die gedachten, de prachtige manier waarop je in elkaar zit, je gevoelens, je liefde, zou dat straks allemaal voorbij zijn? Maakt het voor iemand enig verschil als ik er straks niet meer ben? Voor ons moet er meer zijn weggelegd. Dat hebben mensen altijd gedacht. Zelfs de oude Egyptenaren dachten dat al: hoe overleef ik mijn dood? De farao's waren hun leven lang bezig met het bouwen van hun graf. We kunnen de piramiden nog bekijken als getuigen van hun verlangen naar het eeuwige leven.
Kunnen we hopen op meer?
Is er meer dan dit leven, meer dan onze alledaagse zorgen? Kunnen we op meer hopen? Christenen geloven van wel. Ik zou u graag uitleggen wat christenen bedoelen met 'hoop'. Christenen hopen op een eeuwig leven. Voor alle duidelijkheid, 'hopen' betekent hier niet dat je het niet zeker weet. Als je aan een verwoede schaatser vraagt of het morgen zal vriezen, zegt hij misschien: 'Ik hoop het.' Dan bedoelt hij dat hij het niet zeker weet, maar het wel graag wil. Als ik zeg: 'Ik hoop op het eeuwige leven,' bedoel ik niet dat ik het wel graag zou willen (wij allemaal toch?), maar het niet zeker weet. Nee, ik geloof vast en zeker dat ik wanneer ik dood ga, voor altijd bij God mag leven. Dat leven zal van een oneindig veel hogere kwaliteit zijn dan mijn leven hier. Al het goede, het mooie, het heerlijke wat wij hier beleven, zal daar ook zijn, maar in de overtreffende trap. Ik geloof dat, omdat Jezus gezegd heeft: 'Wie in Mij gelooft, zal eeuwig leven.' U kunt dan vragen waarom ik Jezus dan geloof als Hij dat zegt en u heeft groot gelijk dat u dat vraagt. Ik denk dat ik daar goede redenen voor heb. Op deze site zou u die redenen kunnen onderzoeken bij Wat kunnen we met Jezus? en Hoe weet ik of de Bijbel betrouwbaar is?.
Maar wat is dat voor een hoop? Ik denk dat echte hoop zich moet bewijzen. Wat heb ik eraan als iemand tegen mij zegt: 'Ik hoop dat het morgen beter met je gaat?' Of: 'Ik hoop dat in het volgende jaar nergens meer oorlog zal zijn?' Ik hoop het ook. Maar wat dan nog? Sleept zo'n hoop me door het leven heen? Geeft het me kracht in moeilijke situaties? Wat heb ik aan die hoop? Hoop moet zich bewijzen in tijden van pijn, eenzaamheid, schuld en lijden. Om eerlijk te zijn, ik zie niet hoe het hiertegen kan helpen om je in te laten vriezen na je dood. Misschien kun je dan over honderd jaar weer ontdooien en verder gaan met je leven. Maar wordt het er wezenlijk anders van? Je kunt nog zoveel proberen en nog zo hard werken, maar de vraag is: 'Wat blijft ervan over wanneer je eenzaam wordt, wanneer je verdriet krijgt, wanneer je verteerd wordt door schuld en wanneer je zelf moet lijden? Is er dan iets in je leven dat daar bovenuit stijgt?'
Ik ken iemand die onlangs door zijn vrouw verlaten is. Van de ene op de ander dag en volkomen onverwacht was zijn huwelijk ten einde. Zijn ex-vrouw heeft hem vervolgens eerst zwart gemaakt bij iedereen die het maar horen wilde. Toen heeft zij zijn salaris voor het grootste deel opgeëist. Nu wordt hij ook gedwongen om zijn huis te verkopen, waar hij jarenlang aan verbouwd heeft. Hij hoopte daar samen met haar rustig oud te kunnen worden. Alles waarvoor hij heeft gewerkt, is hem ontvallen. Hij is nu vijftig. Wat nu? Hij zei tegen mij: 'Voor het eerst in m'n leven begin ik me af te vragen of er nog meer is dan dat waarvoor ik altijd heb geleefd.' Voor hem wordt de vraag nu heel belangrijk: 'Heb ik nog hoop, als ik m'n leven niet meer zelf in de hand heb?' Ik denk dat die vraag ook voor ons belangrijk is. Ook als je geen problemen hebt en wanneer je leven geslaagd is. Dat kan zo voorbij zijn. En dan? Kan het kwaad als je jezelf die vraag nu al stelt: 'Is alles waarmee ik mijn leven vul geschikt om mij overeind te houden als het echt tegenzit?' Als dat niet zo is, kun je je in alle eerlijkheid afvragen of je leven dan wel genoeg kwaliteit heeft.
Een reden om te hopen
Christenen zeggen dat God een bedoeling heeft met mensen. Wij zijn niet gemaakt voor de dood. Wij zijn gemaakt voor het leven. Geen wonder dat wij ons zo met hand en tand verzetten tegen de dood. Zo zijn wij gemaakt. Zo zitten we in elkaar. We kunnen wel proberen net te doen alsof het heel gewoon is dat we ooit dood gaan. Het hoort bij het leven, zeggen we dan. De Bijbel zegt dat het niet bij het leven hoort. Sterven is niet gewoon. Het is het gevolg van wat de Bijbel zonde noemt. Omdat wij mensen niet hebben geleefd zoals God het bedoelde, is er iets fout gegaan in deze wereld. Onze wereld is kapot en geslagen. En mensen gaan dood.
Maar God heeft Zelf een nieuw begin gemaakt. Al tweeduizend jaar zeggen christenen dat zij een hoop hebben die blijft staan, ook als je leven uit elkaar valt. Waar komt die hoop vandaan? Ten diepste omdat tweeduizend jaar geleden Jezus opstond uit de dood. Een vreemd verhaal, vindt u misschien. Maar de mensen toen vonden dat net zo moeilijk te geloven als de mensen nu. Jezus' eigen leerlingen, die hem drie jaar van nabij hadden meegemaakt, wilden het eerst niet geloven, totdat zij hem met hun eigen ogen konden zien en met hun handen konden aanraken. Hij was opgestaan uit de dood. Dat was niet zomaar een kunstje. Het was geen meestertovertruc. Dit betekent enorm veel: het betekent dat de dood is overwonnen.
Nooit meer kunnen we zeggen: met de dood is alles afgelopen en niemand komt er ooit terug uit de dood. Dat eindeloze ritme van geboren worden en doodgaan was doorbroken. Jezus stond op uit de dood. En de Bijbel zegt dat iedereen die in hem gelooft, ook eeuwig zal leven. We zullen sterven dat wel. Maar voor een christen is dat niet iets om bang voor te zijn. Met het sterven gaat de deur niet dicht, maar hij zwaait wagenwijd open. We zullen dan altijd bij Jezus zijn en leven zoals Hij. Dat betekent een oneindig veel beter leven dan we hier hebben.
Wat nu?
Ik kan me voorstellen dat u daar niet veel van begrijpt. Misschien denkt u: 'Wat een onzin. Tot nu toe klonk het wel redelijk. Maar nu volg ik het niet meer.' Ik heb al gezegd: ik kan u het geloof niet aanpraten, zelfs al zou ik het willen. Ik kan u alleen vertellen wat christenen geloven en wat de basis is voor mijn leven. Ik heb veel mensen gezien die hierdoor door de diepste en zwartste gaten van hun leven kwamen. Mensen ook die blij en verwachtingsvol stierven, omdat dit leven niet het hoogste was wat ze hadden. Nogmaals, gelooft u het niet en vindt u het allemaal onzin, drink dan een kop koffie en ga iets anders doen. Even goeie vrienden. Maar wanneer u ernaar verlangt dat u ook die zekerheid en rust hebt in uw leven, dan zou ik zeggen: 'Probeer het met Jezus. Begin te lezen in de Bijbel en praat erover met een christen.' En vooral: 'Praat zelf met God.' Het hoeft niet geweldig en groots te zijn wat u zegt. Vertel Hem dat u beseft dat u meer nodig hebt om gerust te sterven dan wat u nu hebt opgebouwd. Vraag Hem dat aan u te geven.
Alleen voor straks?
Tenslotte nog een paar dingen over de christelijke hoop. Want het lijkt nu of christenen alleen maar hopen voor na dit leven en of ze het liefst zo snel mogelijk willen sterven om maar bij Jezus te zijn. Nu, ik wil heel graag bij Jezus zijn. Maar ik geloof dat Hij ook nu bij mij is. Want Hij leeft. Hij is niet dood, Hij is opgestaan. In mijn leven leer ik hem steeds beter kennen, door in de Bijbel te lezen, door met hem te praten in gebed, door bepaalde ervaringen in mijn leven. En hoe beter ik hem leer kennen, hoe meer ik ernaar verlang om hem straks te ontmoeten. Het is zoiets als een verre vriend of vriendin, die je over de telefoon en via de email steeds beter leert kennen, maar die je nu eindelijk mag zien.
Maar dat is niet alles. Door de hoop heb ik niet alleen uitzicht, ik mag ook met blijdschap om mij heenkijken. Alles wat ik doe, krijgt nu nieuwe glans. Als ik mijn werk doe, mag ik het met hem overleggen. Ik mag het hem voorleggen wanneer het tegenzit en ik mag hem danken wanneer het goed gaat. Ik doe mijn werk niet zomaar, om wat geld binnen te halen en om me niet dood te vervelen. Nee, ik doe mijn werk voor hem. Ik wil dat Hij blij is met wat ik doe en hoe ik het doe. Vergelijk het maar met een kind dat klusjes doet in huis. Als het goed is, wil het daarmee zijn ouders een plezier doen. Zo mag ik met blijdschap in mijn gezin en mijn andere relaties bezig zijn en met vreugde mijn werk doen.
De hoop maakt mij ook vrij. Natuurlijk vind ik het ook belangrijk om gezond te zijn en me prettig te voelen. Daarom let ik er ook op wat ik eet en probeer ik aan beweging te doen. Ik geloof ook dat God mij geen lichaam gegeven heeft om het te verwaarlozen. Maar ik hoef me niet krampachtig in allerlei bochten te wringen om maar zo lang mogelijk jong te blijven en er zo lang mogelijk goed uit te zien. Ik geniet van mijn leven, maar ik ben er niet verslaafd aan. De Bijbel zegt dat mensen uit angst voor de dood slaven zijn geworden (De Brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 2, vers 15). Als ik om me heenkijk in de schoonheidssalons en fitnesshallen, geloof ik dat dat maar al te vaak zo is. Christenen zijn vrijgemaakt van die angst. Ze hoeven geen slaven meer te zijn. Dat is heel wat anders dan de schouders ophalen en zeggen: 'Ach het hoort er nu eenmaal bij.' Wij doen niet net of de dood niet erg is. Christenen zijn realisten. Maar de dood is het einde niet. Voor wie gelooft, begint het dan pas.
Wat kun je met Jezus?
Ik ben geen christen, omdat ...
Wat is de belangrijkste reden om geen christen te zijn? Als je dat aan mensen vraagt, antwoordt 80% dat de regels hen tegenstaan. Ze zien het geloof als een soort vereniging met statuten en reglementen. Een beetje een besloten club.Toch is het christelijk geloof geen systeem, maar een relatie tussen God en mensen. Je kunt het nog het beste vergelijken met een vriendschap of een huwelijk.
Kortom:
- niet of je je houdt aan wetten en regels;
- niet of je gelooft in schepping of evolutie;
- niet of je trouw naar de kerk gaat.
Maar of je een persoonlijke, intieme relatie hebt met God, is beslissend voor de vraag of je een christen bent. Het is een verandering van binnenuit, niet van buitenaf.
In de Bijbel heet het dat je een 'vriend' bent van God, of vaker nog een 'kind' van God. Maar nooit een 'werknemer' van God. Er hangt geen prikklok in de hemel Helaas brengen christenen blijkbaar nogal eens wat anders over.
Jezus Christus
Christenen geloven dat je alleen door Jezus Christus in contact kunt komen met God. Hij heeft, zo zegt de Bijbel, de weg naar God geopend. Hij introduceert ons bij God. Hij is onze 'voorspraak'. Je zou bijna zeggen: Hij doet een goed woordje voor ons.
Door Jezus kunnen we ook veel te weten komen over God. Eigenlijk is het zo dat Jezus heeft laten zien wie God is. Mensen die willen weten of God om hen geeft, zouden naar Jezus moeten kijken.
Wat zegt Jezus er zelf van? Wanneer hij afscheid neemt van zijn leerlingen, vlak voordat hij zal sterven aan het kruis, heeft hij het tegen hen over zijn 'Vader'. Zijn leerlingen weten dat hij met zijn Vader God bedoelt. Dan zegt hij tegen hen iets absoluut schokkends, iets wat niemand ooit eerder in de mond heeft genomen. 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand kan bij de Vader komen, behalve via mij. Als jullie mij gekend hadden, zouden jullie ook mijn Vader gekend hebben. Van nu af aan kennen jullie hem en hebben jullie hem gezien.'
Verbazend dat zijn leerlingen, vrome Joden toch, geen stenen oppakken om naar hem te gooien. Hier zegt iemand, hoe wijs en hoe goed hij misschien ook is, dat hij zo ongeveer gelijk is aan God zelf! Een Hindoe had daar geen probleem van gemaakt, maar hier wordt het gezegd door een Jood tegen andere Joden. Geloof het of niet, dit is uniek in de wereldgeschiedenis.
Zijn leerlingen zijn niet meer zo snel om te oordelen. Zij hebben Jezus een beetje leren kennen. Waarschijnlijk begrijpen ze het niet zo goed, wat hij zegt, maar ze weten dat hij niets zomaar zegt. Dan vraagt Filippus, een van hen, een beetje aarzelend: 'Heer, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.' Jezus antwoordde hem: 'Nu ben ik al zolang bij jullie, Filippus, en ken je me dan nog niet? Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.'
Waarom zeg je dan: 'Laat ons de Vader zien? Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat hij in mij is?' (Het Evangelie naar Johannes, hoofdstuk 14, vers 6-9.)
Als Filippus het nog niet begreep, zegt Jezus het nog wat duidelijker: 'Filippus, wie mij heeft gezien, heeft God gezien.' Mohammed, de Boeddha, Confucius en anderen, ze hebben misschien gezegd: 'Ik wijs u de weg naar God,' maar niemand van hen heeft gezegd: 'Ik ben de weg.'
Waanzin of ...? In elk geval: dit is dus een verschil met andere godsdiensten. We hebben niet dezelfde God, al wordt dat weleens gezegd. God, zoals christenen Hem aanbidden, heeft Zich bekend gemaakt door Jezus Christus. Dat zegt geen enkele andere godsdienst.
Christen?
'Christenen' zijn volgelingen van Jezus Christus. Een relatie met Hem is wederzijds: het levert wat op, maar het vraagt ook investering van onze kant. Hij vraagt volkomen overgave. Dat klinkt hard en dat is het ook. Jezus noemt het zelfs 'sterven'.
Daarom zit God en zitten wij niet te wachten op mensen die in een emotionele opwelling christen worden. Het is beter om eerst de kosten te berekenen. Jezus zegt: 'Wie een huis bouwt, kijkt eerst hoeveel dat gaat kosten.' Wie een auto koopt, kijkt eerst onder de motorkap. Veel dingen van het christelijk geloof zijn moeilijk te begrijpen met je verstand. Maar ze zijn vaak nog veel moeilijker te accepteren met je hart. Er zijn mensen die uiteindelijk met hun verstand de christelijke boodschap heel behoorlijk begrijpen, maar er toch niet aan willen. Ze merken dat het recht ingaat tegen de manier waarop ze zelf hun leven invullen. Ze merken dat Jezus alles van je vraagt. Met dezelfde kalmte en overtuiging waarmee hij zegt: 'Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.' zegt hij: 'Wie zijn kruis niet opneemt en achter mij aankomt, kan mijn volgeling niet zijn.'
Ik denk dat je goed hebt begrepen wat Jezus bedoelde, als je gaat zien dat het tegen jezelf en je natuurlijke neigingen ingaat om christen te worden. Daarom hebben mensen tijd nodig om zich er een mening over te vormen. Rijp beraad is beter dan een overhaaste beslissing, waarop iemand een paar weken later weer terugkomt.
Wie was Jezus?
In het centrum van het christelijk geloof staat dus geen abstract systeem, maar een persoon.
Wie was Jezus? Hoe was Zijn leven? Er zijn vier levensbeschrijvingen van Jezus (de zgn. vier 'Evangeliën') en die vertellen allemaal ongeveer het volgende: Hij werd geboren in het jaar 6 v.C. (vraag niet hoe dat kan, onze jaartelling is enigszins in de war) in Bethlehem, vlakbij Jeruzalem. Hij groeide op in het noorden, in de provincie Galilea.Van zijn jeugd weten we niets, behalve een verhaal uit de tijd dat hij twaalf jaar oud was en met zijn ouders naar Jeruzalem ging. Toen hij dertig was, kwam hij voor het eerst in het openbaar. Hij kreeg twaalf trouwe leerlingen, die hem overal volgden. Hij sprak, deed wonderen, had een goede naam bij het gewone volk. Bij de leiders van het volk was hij minder gezien, omdat hij regelmatig scherp de vinger legde bij hun gedrag en schijnheiligheid.
Een kleine drie jaar later werd hij gevangen genomen en aan een kruis gespijkerd. Hij stierf en werd begraven. Drie dagen later stond hij op uit de dood en verscheen aan zijn leerlingen in levenden lijve. Daarna ging hij terug naar de hemel, terug naar zijn Vader.
Droge gegevens misschien. Maar deze Joodse man, een timmerman, die nog geen drie jaar heeft rondgelopen in een uithoek van de wereld, heeft sindsdien miljoenen mensen voor de vraag gesteld: Wie was hij?
Een revolutionair? Ja en nee (Zijn motivatie om verworpenen op te zoeken was niet revolutie maar liefde).
Een profeet? Ja en toch meer dan dat (Zelf zegt hij: 'Ik ben niet de profeet Elia.')
Een leider? Jazeker, maar ook een dienaar (als Hij als Koning Jeruzalem wordt binnengehaald - het uur van zijn triomf - huilt Hij. Tegen Pilatus, die hem bij zijn proces verhoort, zegt Hij: 'Mijn koningschap is niet van deze wereld.')
Wie was hij dan wel? Jezus lijkt ongrijpbaar. In de afgelopen eeuw is er heel wat wetenschappelijk onderzoek geweest naar hem en steeds wanneer iemand dacht het laatste woord gesproken te hebben, verscheen er weer een ander boek dat het heel anders zei. Steeds als we denken dat we Jezus hebben gevangen, blijkt dat de doos leeg is.
Kunstenaars zien soms meer dan andere mensen. Ze kunnen met een schilderij in één blik meer duidelijk maken dan een ander in duizend woorden. Jeroen Bosch was zo iemand. In dit schilderij 'De kruisdraging' laat hij zien wat het betekende dat Jezus een opdracht had.
Als je het even op je in laat werken, valt er iets op: hier is iemand op weg naar de kruisdood. Hij draagt zijn martelwerktuig op zijn rug. De kruisdood was de ergste marteling die mensen konden verzinnen. Iemand werd met lange spijkers door zijn polsen en door zijn wreef aan een gekruiste balk gespijkerd en vervolgens rechtop gezet in de brandende zon. Daar hing hij dan naakt te sterven van uitputting en bloedverlies. Dat alles in een moordende pijn. Jezus wist wat er met hem ging gebeuren. Hij was al geslagen en bespot en nu werd hij voortgeduwd door een woedende menigte richting de executieplaats. Een ter door veroordeelde, kansloos. Als je dan kijkt naar het schilderij, vraag je je af wat Jeroen Bosch heeft gedaan. Uitgerekend degene die gillend en trappend voortgesleurd zou moeten worden, richting een ellendig einde, is het rustpunt in het schilderij. Jeroen Bosch maakt duidelijk dat Jezus ging met een bestemming. Wat zegt Jezus zelf? 'Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Mijn leven te geven als een losprijs voor velen.' (het evangelie naar Markus, hoofdstuk 10, vers 45).
Zijn leven stond in het teken van dat motto. Hij had een opdracht! In feite geloven christenen dat er maar één Mens is geweest met die opdracht: Zijn leven te geven als een losprijs voor velen.
Jezus' optreden
Jezus was controversieel. Ook in zijn leven onttrok hij zich aan beoordeling. Niemand kon hem 'vangen' in een sluitende theorie. Over sommige dingen liet hij zich bijzonder streng uit. Zo zei hij dat wie een vrouw alleen maar aankijkt om iets met haar te willen, al overspel heeft gepleegd met haar. Zulke taal waren de mensen niet gewend: als je je op het oog goed gedroeg, was het toch in orde? Maar Jezus zei kortweg: 'Wees volmaakt, zoals mijn Vader volmaakt is.' Anderzijds was hij milder dan zijn tijdgenoten. Toen een aantal leiders een vrouw bij hem bracht die gegrepen was op overspel (daar stond de doodstraf op), stuurde Jezus hen naar huis en zei: 'Wie van jullie geen fouten maakt, mag de eerste steen naar haar gooien.' Ze dropen af en hij zei tegen de vrouw: 'Ik veroordeel je niet, ga maar en doe dit niet weer.'
Sowieso was de manier waarop hij vrouwen behandelde ongekend voor die tijd. Hij sprak hen aan (in het oude oosten voor een man ‘not done’) als gelijken. Daarin was hij voor die tijd revolutionair. Wat hem echter de meeste vijanden bezorgde was zijn omgang met dierbare gebruiken en wetten. Zeiden de leiders dat je op de sabbat (de Joodse rustdag = de zaterdag) niet mocht werken, Jezus maakte mensen beter op die dag. En als ze hem daarop aanspraken, zei hij dat ze huichelden. 'Als je koe in een put valt op de sabbat, haal je hem er toch ook uit?' zei hij. 'Mag ik dan geen mensen beter maken?' En dan die uitspraken van hem. Die waren in de ogen van de godsdienstige leiders misschien nog wel het ergst. Uitspraken waarin hij zichzelf op één lijn stelde met God. Godslasterlijk vonden ze dat. Maar tegelijk: hij leek zo gezond van geest, zo evenwichtig, altijd meester van de situatie, iemand bij wie je graag in de buurt was. Kinderen kwamen bij hem en hij zegende ze.
Nogmaals: Wie was Hij toch? Een goed mens? Dat kan iedereen beamen. Een voorbeeldig mens? Dat vinden ook niet-christenen. Een genezer? Ook dat, maar Hij zag dat aspect niet als het belangrijkste. Hij was een raadsel voor zijn omgeving. Aan het eind van zijn leven staat Hij voor de Romeinse stadhouder Pilatus. Pilatus is zo onder de indruk van deze vreemde Man, die hij verhoort, dat hij Hem tenslotte vraagt: 'Waar komt u vandaan?' En niet: 'Wie bent u?' Overigens wist Pilatus heel goed dat Jezus afkomstig was uit Galilea, in het noorden van Israël. Het is alsof hij deze vreemde man aankijkt en heel langzaam begint het tot hem door te dringen. Dit is geen gewone man, hier is iets vreemds aan de hand. Waar komt u vandaan?'
Wie is Hij en waar komt Hij vandaan?
Wat zegt hij zelf?
Jezus zei een aantal heel bijzondere dingen over Zichzelf. Soms zei hij tegen mensen: 'Uw zonden zijn u vergeven.' Dat is vreemd, om het zacht uit te drukken. Als iemand nu tegen Jezus wat verkeerd had gedaan, oké, dan kon hij zeggen: 'Ik vergeef het je.' Maar hij zei het tegen mensen die hij nooit eerder had gezien: 'Ik vergeef je je zonden.' Als iemand van mij geld steelt, kan ik het kwijtschelden. Maar als iemand van jou geld steelt, kan ik toch niet zeggen: 'Zand erover?' En Jezus doet het. Mensen die hem niets hebben gedaan, vertelt hij: 'Ik vergeef je!' Wie was hij om zich dit aan te matigen? Hij noemde Zichzelf Gods Zoon. We hebben gezien dat hij zei: 'Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.' En ergens anders zegt hij zelfs: 'Ik en de Vader zijn één.' Bescheiden? Niet echt. Is dit de man die tegen zijn leerlingen zei: 'Leer van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart.' Wie is deze man, zo vol van tegenstrijdigheden? Zijn tijdgenoten kwamen tot de conclusie en velen na hen ook, dat Jezus in feite zei dat hij God zelf was! God, die in mensengedaante op aarde was gekomen, om zich onder ons te begeven. Om voor ons te sterven: 'en mijn leven te geven als een losprijs voor velen.' Jezus' claims zijn niet te verklaren vanuit zijn achtergrond. Hij was een Jood! Als er één godsdienst is, die de afstand tussen God en mens benadrukt, dan is het wel het Jodendom. Elke Jood kende het beroemde Shema: 'Hoor Israël, de Heer uw God is één!' Als Jezus een Griek was geweest, of als hij in India was geboren, konden we er nog een beetje inkomen (goden genoeg), maar als Jood? Dit maakt het ook moeilijk om te geloven dat Jezus' volgelingen na Zijn dood het hele verhaal hebben opgeblazen. Zij waren Joden! Zij waren de laatsten die van een mens God zouden maken. Dit nog afgezien van het feit dat ook zij wilden sterven voor dit geloof. Hoe konden uitgerekend gelovige Joden er zo van overtuigd zijn dat hun leraar in wezen God zelf was?
Jezus, mens en God
Hier komt het op neer: 'Als we geloven dat Jezus, behalve mens, ook God was, dan is al het andere over Hem (genezingen, wonderen, opstanding) niet moeilijk meer
te geloven.' Waarom is het zo belangrijk voor christenen dat Jezus God zelf was?
Als Hij geen God was:
- Hadden we een onbekende God. Jezus zei: 'Wie mij heeft gezien, heeft de Vader (= God) gezien.' God is Christ-like, zoals iemand eens zei. Christenen geloven dat Hij niet een of andere anonieme krachtbron is en ook niet ons diepste zelf of iets dergelijks. Hij is onder ons geweest en door Jezus mogen we iets weten van Zijn karakter en van Zijn liefde voor ons.
- Hadden we een God die ons bestaan niet kende. In de Bijbel staat het zo geschreven over Jezus: 'Want wij hebben geen God die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar een die in alle dingen op dezelfde manier aan verleidingen heeft blootgestaan als wij en dat zonder in de fout te gaan.' (Brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 4, vers 15). Jezus was onder ons: hij laat zien dat God niet een alleen een hoge en verheven God is, maar ook een God die dichtbij de mensen wil zijn. Voor christenen ligt hier ook een belangrijk antwoord op de vraag naar alle ellende in de wereld. Wij begrijpen het net zomin als andere mensen hoe dat kan, maar wel geloven we dat God er niet onverschillig tegenover staat. Dat Hij zich wat van mensen aantrekt, heeft Hij laten zien aan het kruis. Niemand kon zeggen dat Hij daar moest sterven. Hij wilde het.
- Hadden we een God die wezenlijk onverschillig stond tegenover ons lot (Zijn liefde had Hij nooit bewezen).
- Waren we niet gered. Christenen geloven dat Jezus het leven heeft geleefd dat wij niet konden leven (volmaakt) en dat Hij is gestorven, terwijl wij dat verdienden. De dood van Jezus aan het kruis laat aan de ene kant zien wat ervoor nodig was om ons te redden en aan de andere kant wat God daarvoor over had. Met andere woorden, het laat zien hoe hopeloos wij eraan toe waren zonder God en aan de andere kant van hoe grote waarde wij zijn in Gods ogen. Dat is niet altijd gemakkelijk rond te krijgen met je verstand, maar het 'werkt'. Zoals we bijvoorbeeld het klimaat niet begrijpen, kunnen we wel constateren dat het er is en dat het op de een of andere manier 'werkt'. Zo kunnen we ook niet precies begrijpen hoe God ons redt door de dood van Jezus, maar we geloven wel dat het zo is en we ervaren dat het zo 'werkt'.
Nogmaals de vraag: 'Jezus, wat kun je ermee?' Iemand heeft eens gezegd dat die vraag ietwat komisch is. Het lijkt op een muis die tegenover een olifant staat en zegt: Wat kan ik toch met deze olifant?
Als Jezus is wie Hij zegt te zijn, dan moeten we ons misschien afvragen wat Hij met ons kan.
Waarom zijn christenen niet aardiger dan andere mensen?
Waarom zijn christenen niet aardiger dan andere mensen?
Ik heb een vraag die mij al lange tijd bezighoudt en waarop ik eigenlijk nooit een bevredigend antwoord gekregen heb, voorzover daar überhaupt een antwoord op te geven is. We zijn het denk ik allemaal erover eens dat gelovigen 'net' mensen zijn. Ze zijn net zo sympathiek, irritant, oprecht, achterbaks, wellevend of crimineel als niet-gelovigen. En daar wringt voor mij nou net de schoen. Je zou toch op zijn minst moeten kunnen constateren dat gelovigen vanuit hun overtuiging niet alleen minder geneigd zouden zijn tot het kwade, maar het er wat dat betreft ook waarneembaar beter vanaf zouden brengen. Ik zie daar nou net helemaal niets van, ik zou bijna zeggen integendeel. Nu kan iemand mij proberen uit te leggen dat religie niet synoniem is met geloof. Dat vind ik toch te gemakkelijk. Het christen-zijn kan niet alleen maar gebaseerd zijn op een 'persoonlijke ontmoeting' met Jezus of God, maar heeft tevens als consequentie dat je althans het belangrijkste gedeelte van een kerkelijke leer moet onderschrijven.
De vraag die mij bezighoudt heb ik eigenlijk al gesteld, maar toch: 'Hoe is het mogelijk dat al die inspirerende teksten in de Bijbel bij de lezers en belijders ervan niet tot 'beter gedrag' leiden?'
De 'uiterlijke' kant van geloven (kerkgang, Bijbel, bidden enz.) is natuurlijk wel belangrijk. Toch kun je wel een verschil maken tussen 'geloof' en 'religie' bij een aantal mensen. Er ontstaat namelijk een probleem wanneer mensen godsdienstige dingen gaan gebruiken met de gedachte dat ze daarmee dus christen zijn. Maar christelijk gedrag maakt iemand nog geen christen. Als je in een stal gaat staan, ben je daarmee nog geen koe. Christen-zijn heeft te maken met het ontvangen van een andere identiteit: een ander mens worden van binnenuit. Bij dat ander mens worden, hoort ook dat je graag andere christenen opzoekt, dat je in de Bijbel leest om meer van God te weten te komen en dat je bidt om de relatie met hem te onderhouden. Het zijn dan echter geen zaken meer waarmee je je beter kunt voordoen of je kunt verheffen boven anderen. Ze komen voort uit liefde voor God; je doet het omdat je dankbaar bent, niet omdat je beter bent.
Jouw vraag: 'Hoe komt het dat het christelijk geloof geen beter gedrag bewerkt bij gelovigen?' Dit gezien de pretenties van het geloof. Goeie vraag denk ik. Als het inderdaad geen enkel verschil maakt of je gelooft of niet, dan valt er toch wat uit te leggen. Ik zal mijn best doen:
- Allereerst: het is natuurlijk wel moeilijk om min of meer van buitenaf in de christelijke wereld te kijken en te beoordelen of die mensen nu echt aardiger zijn dan anderen. Het onderscheid tussen christenen die werkelijk Jezus nodig hebben of christenen die zich alleen maar christelijk gedragen, is niet zo 1-2-3 te zien. Zeker mensen die christelijk zijn opgevoed en die van jongsafaan in een christelijke omgeving hebben verkeerd, kunnen zich zo goed aanpassen aan hun omgeving, dat je hen echt heel goed moet kennen om te zien of dat echt van binnenuit komt. Je moet mensen wat beter en langer kennen, om voorbij de eerste indruk te komen en te zien of ze inderdaad zo af en toe in praktijk brengen wat het christendom leert: je eigen egoïsme overwinnen, liefde beoefenen enz. En je zou hen eigenlijk moeten kunnen vergelijken met de tijd dat ze nog geen christen waren.
- Het christelijk geloof heeft een niet erg optimistisch mensbeeld, zacht uitgedrukt. Mensen zijn geneigd voor zichzelf te kiezen wanneer het erop aankomt. Mensen zijn moeilijk materiaal. Onder onze vriendelijke en rationele buitenkant gaan, als God het niet verhoedt, behoorlijk wat nare dingen schuil. In deze eeuw heeft Freud dat ook ontdekt, maar christenen wisten het allang. De Bijbel verklaart dit uit de breuk die er is tussen God en mens. Mensen zijn daardoor vervreemd van God, van elkaar, van zichzelf en van de natuur. Dit is, zogezegd, het uitgangspunt. Het christelijk geloof schat dit probleem heel diep in. Er is denk ik geen godsdienst te vinden die een minder rooskleurig mensbeeld heeft dan het christendom. Tot onze dood blijven wij de mensen die wij zijn: als de omstandigheden gunstig zijn, weten wij ons egoïsme er aardig onder te houden en goed te socialiseren, maar wanneer dat minder is, komt naar boven wie we echt zijn.
- Ondanks dat het christelijk verhaal zo begint, eindigt het daar niet. Er is wel degelijk hoop voor mensen. Zij kunnen met Gods hulp een begin maken met het overwinnen van hun egoïsme. In feite is een dergelijk mensbeeld, hoe gek het ook klinkt, zeer ontspannend. Als wij inderdaad nooit zullen slagen om harmonie te vinden, om echt 'goed' te worden op eigen kracht, waarom zouden we het dan proberen? Christenen geloven dat 'goed' worden alleen kan wanneer mensen weer in contact komen met God en zijn hulp vragen. Zelfs dan is ons probleem zo diep, dat we tot onze dood slechts een begin van nieuw leven laten zien. Maar God maakt het af en geeft ons na onze dood een nieuw leven. In dit leven betekent dat dat we alles wat we normaal gesproken doen en bezitten om ons beter te voelen dan anderen of dan onszelf vroeger, niet meer op die manier 'gebruiken'. We kunnen we ontspannen van genieten.
- Het gaat misschien tegen de intuïties van veel mensen in: dat een somber mensbeeld kan samengaan met hoop, vreugde en ontspanning. Toch is dat heel cruciaal in het christelijk geloof. Maar het verklaart wel wat van de spanning en de twee gezichten die christenen laten zien. Zij zijn 'oorlogsgebied': God bewerkt een nieuw leven in hen, die nog op veel manieren vast zitten aan een oud leven. Tijdens dit leven werkt God aan ons, als wij hem willen volgen. En dan kan er heel wat boven komen. Want hij doet dat niet altijd zachtzinnig. Vergelijk het met het volgen van therapie: meestal gaat het in eerste instantie slechter dan beter, omdat er van alles bovenkomt dat eerst verstopt zat.
- Dit is heel in het kort het christelijk verhaal. En nu over 'aardig' of niet. Ik denk dat er twee manieren zijn om aardig te zijn. De eerste is een natuurlijke manier. In het algemeen zijn mensen die goed opgevoed zijn, veel liefde hebben gekregen, een redelijke intelligentie hebben (maar niet 'te'), een sterke wil, een goede spijsvertering, leuke relaties, een redelijke status en bevredigend werk 'aardiger' en evenwichtiger dan mensen die al deze voordelen moeten missen. Dit zijn mensen die zonder al teveel inspanning en zolang het goed gaat aardig en vriendelijk zijn. Als ze ook nog geloven (ik bedoel 'echt' geloven), zal er niet veel te zien zijn. Misschien worden ze nog wat aardiger dan ze al waren. Maar de test komt voor hen misschien pas, of ze nu gelovig zijn of niet, wanneer er tegenslag komt en alles minder op rolletjes gaat. De tweede manier is de hierboven geschetste geestelijke manier. Daarmee bedoel ik de claim van het christelijk geloof dat God iemand die in hem gelooft, op hem vertrouwt en erkent dat hij/zij Jezus nodig heeft, zo 'bewerkt' in een geleidelijk en levenslang proces, dat hij/zij 'vruchten van de Geest' gaat vertonen. Die worden met name in de Bijbel genoemd: liefde, blijdschap, vrede, geduld, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Die vruchten komen niet vanzelf: God laat ze 'groeien' door middel van 'snoeien' (om in het beeld te blijven). Er kunnen moeilijke levensomstandigheden bij komen kijken. Misschien zijn die zelfs wel nodig om echt te groeien. Bomen wortelen het diepst als het hard waait en het water diep zit.
- Het eerste probleem is daarmee dus aangekaart: zijn alle christenen aardiger dan alle niet-christenen? Nee. Een niet-christen die heel veel natuurlijke voordelen heeft, zal het winnen van een christen die beroerd is opgevoed, een slechte gezondheid heeft, weinig psychische spankracht, een paar trauma's en nog wat ellende. De niet-christen hoeft daar niet trots op te zijn, want hij heeft er niks voor gedaan om aardiger te zijn. Hij zou net zo goed trots kunnen zijn op zijn haarkleur.
- Belangrijk is dus de uitgangssituatie. Laat ik dat met een beeld uitleggen: Prodent is goede tandpasta, zo wordt beweerd. Betekent dat dat iedereen die met Prodent poetst betere tanden moet hebben dan iedereen die dat niet doet? Lijkt me niet. Iemand met slechte tanden die met Prodent poetst, zal er ongetwijfeld baat bij hebben, maar betere tanden dan zijn buurman met een nijlpaardgebit zal hij nooit krijgen. Christenen, om de lijn even door te trekken, zullen (wanneer ze niet alleen maar in naam christen zijn) er wel wat van opknappen als ze christen worden. Maar daarmee zijn ze bepaald nog lang niet altijd aardiger dan hun buurman. Hun uitgangsmateriaal kan weleens veel weerbarstiger zijn.
- Nu gaat geloven niet in de eerste plaats over 'een beter mens worden'. Dat is meer een bij-effect, maar niet de hoofdzaak. Geloven is geen fatsoensproject of een morele update van mensen. Dat is een gedachte die christenen steeds weer moeten bestrijden, ook bij zichzelf. Geloven is een relatie met Jezus. Gelovigen zijn mensen als elk ander mens; ze lijden aan dezelfde gebreken, zijn net zo egoïtisch enz. Het verschil is dat ze een ander richtpunt hebben: ze volgen Jezus, althans proberen dat te doen. Hij is het die hen redt, niet hun prestaties.
- Jezus maakt duidelijk dat hij kwam om mensen te redden, niet om ze aardiger te maken. Dat wil zeggen dat er iets mis is met mensen, of ze dat nu zelf vinden of niet. Anders hoef je niet gered te worden. Mensen die in hun leven niet zo geslaagd zijn, zien dat meestal beter in dan mensen die het zelf prima kunnen rooien. Ook toen Jezus op aarde was, trok hij vooral mensen aan die wat aan de rand van de samenleving hingen. De rijken, de fatsoenlijke godsdienstigen en in het algemeen de mensen die hun leven prima voor elkaar hadden, kwamen naar verhouding minder bij hem over de vloer. Jezus zei zelf: 'Hoe moeilijk is het voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan!'. Hij zei dat naar aanleiding van een ontmoeting met een jonge rijke man, die ook erg tevreden was met zijn eigen gedrag. Hij was dus rijk in geld en rijk met zichzelf. In een ander verband zegt Jezus: 'Ik ben niet gekomen voor gezonde mensen die geen dokter nodig hebben, maar voor zieken.' Jezus volgen en erkennen dat je hem nodig hebt, betekent dus dat je erkent dat je 'ziek' bent. Dat gaat tegen onze trots en autonomie in, ik geef het toe. Toen was dat niet anders.
- Het gevolg is dat het christelijk geloof naar verhouding misschien wel wat meer ongemakkelijke mensen trekt dan evenwichtige, rationele, vriendelijke, goed opgevoede enz. mensen. De eerste groep zal waarschijnlijk net wat vaker tegen zichzelf aanlopen dan de laatste. Het vervelende is dat Jezus zegt dat niet alleen de eerste een probleem heeft, maar ook de tweede. Fatsoenlijke, aardige en redelijke mensen vinden dat meestal niet prettig en blijven dan ook graag bij hem vandaan. Net zoals iemand die een ernstige ziekte onder de leden heeft, soms, maar liever niet naar de dokter gaat, om het niet te hoeven weten. Jezus en moralisme verdragen elkaar niet goed, ondanks wat sommigen denken, daarin soms gestimuleerd door Jezus' grondpersoneel.
- Belangrijk is hier het typisch christelijke woord 'genade'. Dat woord typeert Gods omgangsstijl met mensen. Genade komt uit het Grieks en betekent 'gratis'. Het wil zeggen dat God zijn liefde en redding gratis aanbiedt aan iedereen die op hem wil vertrouwen. Of het nu een fatsoenlijk en aardig mens is of niet. Wij hoeven er niets voor te doen, wij hoeven het alleen te aanvaarden. Opnieuw: dat is moeilijker voor mensen die menen heel wat te kunnen en te zijn dan voor mensen die met zichzelf zijn vastgelopen.
- Wanneer het christelijk geloof naar verhouding wat meer moeilijk 'basismateriaal' aantrekt, zou het dus wel eens zo kunnen zijn dat christenen in het algemeen zelfs minder aardig zijn dan niet-christenen. Misschien is dat ook weer wat overdreven, maar het zou kunnen. Waarschijnlijk zijn ze echter wel wat aardiger dan toen ze nog geen christen waren.
- De pretenties van het geloof zijn verder niet dat iedereen die christen is (en dan heb ik het dus over de 'echte' christenen) een perfect mens wordt. Paulus, toch niet de eerste de beste christen, spreekt in Romeinen 7 van twee krachten die in hem vechten: 'Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik en het goede dat ik wil, dat doe ik niet.' In feite is een christen iemand die zijn leven lang vecht tegen eogoïstische neigingen in hem: de neiging om botweg voor jezelf te kiezen, anderen op slinkse manier te manipuleren enz. Mensen die vanuit een nietchristelijke achtergrond christen worden, zeggen dat ook vaak als eerste: 'Ik ben me meer bewust geworden van mezelf.' En het moet gezegd: heel vaak lukt het niet. Maar soms ook wel. Christenen geloven dat dat kan door de kracht van God die in hen werkt. Ik kan moeilijk uitleggen hoe dat werkt: het is als met verliefdheid – leg dat maar eens uit aan iemand die niet weet wat dat is. Ik kan je alleen beloven dat je het zult ervaren als je eraan begint. Terugkijkend zeg ik: 'Ik ben een ander mens dan een aantal jaren geleden en dat heeft niet alleen te maken met volwassen worden.' Christenen geloven dat dit een levenslang proces is, dat pas afgelopen is wanneer we sterven en verder leven bij God.
Waarom laat God het lijden toe?
Voor een gelovige, ik zeg het maar eerlijk, is dit de moeilijkste vraag die je kunt krijgen. Je kunt er namelijk nooit een goed antwoord op geven. Mensen die de vraag stellen, zijn vaak een beetje boos. Begrijpelijk genoeg. Maar wanneer je probeert een antwoord te geven, worden zij opnieuw boos. Ook dat is begrijpelijk. Als je echt tot je door laat dringen wat voor afschuwelijke dingen er gebeuren om ons heen, verbleekt elk antwoord. Het is bijna ongevoelig om antwoorden te geven op zulke vragen. Elk antwoord klinkt goedkoop, oppervlakkig, schouderophalend, het kwaad vergoelijkend enzovoort. Aan de andere kant: geen antwoord geven, stelt de meeste mensen ook niet echt tevreden.
Op een bepaalde manier ben ik altijd wat verbaasd als iemand die niet in God gelooft me vraagt: ‘Waarom laat God al dat leed toe?’. Wie ben ik, tenslotte, om dat te weten? De vraag is logisch en ik heb hem zelf ook. Ik weet dat het geloof in God talloze mensen de kracht heeft gegeven om iets te doen aan het lijden. Maar als christen heb ik geen speciale toegang tot kennis die anderen niet hebben. Ik geloof in God, dat Hij almachtig is en goed, maar Hij heeft mij geen inzage gegeven in de redenen waarom Hij dingen doet of nalaat.
In die zin sta ik samen met mijn niet-gelovige medemensen voor dezelfde vraag. Wij worden samen getroffen en gewond door het leed dat wij zien en het leed dat ons soms zelf treft. En wij stellen vaak dezelfde vragen: waarom? hoe lang nog? En dergelijke.
Waarom geloof ik dan toch in God?
Een simpel en rationieel antwoord kan zijn: hoe erg het leed op aarde ook is, het zegt niets over de vraag of er een God is. Talloze culturen op aarde, van wie velen erger lijden dan de meeste mensen in het westen, geloven in God of in goden. Zij zeggen bijvoorbeeld dat de goden boos zijn, of dat God mensen wakker wil schudden niet te gehecht te raken aan deze aarde, of dat God onbegrijpelijk is en doet wat hij wil. Ik noem maar wat. Het punt is: het lijden zegt niets over het al dan niet bestaan van een god. Het zegt misschien iets over de aard van die god. Misschien is god wel gemeen. Anderzijds: deze god heeft dan blijkbaar ook allerlei moois gemaakt, dus hij is misschien ambivalent. Misschien is zijn morele besef wel heel anders dan dat van ons. Misschien zijn er meer goden, waarvan sommigen ellende op ons afsturen en anderen voorspoed. Misschien is God wel ten diepste onbegrijpelijk. Misschien is dat wat wij kwaad noemen, op een ander kosmisch niveau wel goed.
Als we dit onder ogen zien, zien we ook waarom de vraag hoe lijden te combineren is met het geloof in God een vraag is die vooral een rol speelt in een cultuur die door het christendom is gestempeld. De meeste slachtoffers van de tsunami in Azië hebben de vraag niet gesteld of er wel een God kan bestaan, nu dit hen overkomen was. De westerse toeristen die eronder leden en de mensen die in Amerika en Europa naar hun tv-schermen keken, stelden deze vraag wel. Het is het geloof in de christelijke God dat problemen oplevert. Nader bepaald: het geloof in een God die goed en almachtig is en van wie wordt gezegd dat Hij tot op zekere hoogte kenbaar is. Waarom geloof ik in die God?
Ik kan daarvoor redenen geven die heel persoonlijk zijn, maar het probleem daarvan is dat ze een ander niets hoeven te zeggen. Zo heb ik zelf ooit meegemaakt dat iemand door een droom precies naar een plaats werd geleid die ze niet kende. In haar droom werd haar geopenbaard dat daar mensen bij elkaar zouden zijn die uit de bijbel lazen en baden. Die mensen zouden haar verder kunnen helpen met de zoektocht waarmee ze bezig was. Dit bleek allemaal te kloppen: ikzelf was één van die mensen en ik kan iedereen verzekeren dat wij, ondanks ons geloof in God, behoorlijk verbaasd waren toen wij haar zagen binnenkomen en toen zij haar verhaal begon af te steken. Maar zoals ik zei, dit hoeft een ander niets te zeggen. Elk persoonlijk, dramatisch, miraculeus verhaal laat een andere uitleg toe voor wie het anders wil zien. Voor mij was het een teken dat God bestaat, voor een ander brengt het misschien alleen maar verwarring: ‘Waarom geeft God zo’n teken uitgerekend aan mensen die al in hem geloven en niet aan mij?’.
Natuurlijk kan ik ook zeggen dat geloof begint met vertrouwen geven en dat bevestiging achteraf volgt. Eerlijk gezegd geloof ik daar heilig in. Overgave laat een deur opengaan en wie daardoorheen gaat, ziet de werkelijkheid in een ander licht. Ook dat ervaar ik, niet elke dag, maar toch wel geregeld.
Maar ja, iemand die zijn hersens pijnigt over de vraag waarom God (als er een God is) een tsunami niet tegenhoudt, heeft daar ook niet zoveel aan, vrees ik. Dus ook al moet ik eerlijk zeggen dat mijn diepste redenen hierboven staan, ik wil toch proberen er iets meer van te zeggen. Daarbij zal ik argumenten gebruiken die hopelijk ook door niet-gelovigen gedeeld kunnen worden.
Waarom laat God het lijden toe?
Die vraag veronderstelt nogal wat. Stel dat God al het lijden in de wereld inderdaad kon verhinderen. Dan zou Hij toch wel enorm machtig zijn. Vele malen machtiger dan alle mensen, wereldrijken, machthebbers, organisaties bij elkaar. Maar als Hij zo machtig zou zijn, zou het dan kunnen dat Hij te groot is voor ons verstand? Met andere woorden: wie zo’n vraag stelt, veronderstelt blijkbaar dat God zo groot is dat het antwoord op de vraag weleens onbegrijpelijk voor ons zou kunnen zijn.
Goed, laten we proberen het eens van een andere kant te benaderen. Wanneer zou je niet meer vragen: ‘God, waarom laat u dit toe?’. Met andere woorden: wanneer zou je tevreden zijn met de verzekering dat God goed is en toch almachtig?
Ik probeer die vraag te beantwoorden met een ietwat bizar gedachtenexperiment. Stel je voor dat God zou besluiten van onze wereld een utopia te maken, waarin mensen nooit meer hoefden te vragen waarom Hij lijden toelaat. Wat zou Hij kunnen doen om mensen tevreden te laten zijn met Hem? Zijn eerste stap zou kunnen zijn om te voorkomen dat natuurrampen, zoals de tsunami, zouden gebeuren. Aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en cyclonen zouden verleden tijd zijn. Maar Hij zou verder moeten gaan: ook herinneringen aan natuurrampen en angst voor toekomstige natuurrampen zouden moeten verdwijnen. Immers, herinneringen aan zoiets verschrikkelijks kunnen het leven voor de een veel moeilijker maken dan voor de ander. Hetzelfde geldt voor angst. Mensen kunnen dan blijven vragen: ‘God, waarom moet ik altijd in angst leven en kan een ander gerust zijn?’. Kortom, in dit utopia bestaan geen natuurrampen, zij zijn volkomen gewist uit ieders geheugen of voorstellingsvermogen.
Zouden mensen nu niet langer vragen waarom God het lijden toelaat? Nee, want er is nog steeds heel veel leed over. Neem het leed dat mensen elkaar aandoen. Concentratiekampen, opzettelijke verminkingen, martelingen, verkrachtingen, wreedheden waarbij je je geen voorstelling kunt maken. Een gelovige kan natuurlijk wel zeggen dat mensen dit doen, maar terecht kan iemand vragen: ‘Ja, maar waarom houdt God die mensen niet tegen?’. Dus als we die vraag niet meer willen horen in ons utopia, zal God alle leed dat mensen elkaar aandoen moeten verwijderen. Deze wereld zal absoluut vrij moeten zijn van criminaliteit, oorlog, uitbuiting, auto-ongelukken, ongelijkheid, onderdrukking, racisme, haat en geweld. En ook hier geldt: zelfs de herinnering aan en de angst voor dergelijke zaken moet verdwenen zijn, willen mensen echt gelijk zijn in hun geluk.
Dit betekent, tussen haakjes, ook dat enorm veel films, boeken, computerspelletjes, spelletjes-shows en loterijen (immers, sommigen winnen en anderen niet), kranten en internetsites verdwenen zullen zijn alsof ze er nooit zijn geweest. Het is moeilijk je zo’n wereld voor te stellen, vanuit onze wereld, maar om het gedachtenexperiment vol te houden, moeten we het toch proberen. In dit utopia zullen er alleen romantische comedy’s op tv zijn met Julia Roberts. Maar ook die comedy’s zullen niet erg spannend zijn, want er is geen enkele kans dat de twee geliefden elkaar niet zullen krijgen. Dat zou immers verdriet veroorzaken. Vermoedelijk zullen dus alle kanalen overal ter wereld 24 uur per etmaal de Teletubbies uitzenden.
We hebben nu een wereld waarin bijna geen leed meer over is. Bijna, want er worden nog mismaakte kinderen geboren en mensen kunnen ziek worden. Laten we ook de psychische ellende niet vergeten. Ook dit verhindert God: alleen volmaakt gezonde kinderen komen ter wereld en niemand wordt ziek. Depressies en dergelijke zijn er nooit geweest. Opnieuw: zelfs de gedachte dat mensen ziek zouden kunnen worden, is verdwenen van deze wereld. Het woord ‘ziek’ bestaat niet meer. Er is geen angst voor ziekte, er zijn geen gevolgen van ziekte en er is geen herinnering aan ziekte.
Niet iedereen is er even gevoelig voor, maar er zijn heel wat mensen die God ter verantwoording roepen om wat er gebeurt in de niet-menselijke wereld. Wie ooit heeft gezien hoe de larve van een sluipwesp een rups van binnenuit opvreet, kan ernstige twijfels krijgen bij het Godsbestuur. Wil God dat voorkomen, dan zal Hij moeten zorgen dat ook de dierenwereld geen enkele vorm van leed kent. Leeuwen zullen stro eten als koeien en slangen zullen niet langer bijten. En uiteraard worden alle mensen vegetariërs.
Dan krijg je kiespijn.
Het is moeilijk denkbaar hoe je kiespijn zult ervaren in een wereld, waarin dit het allerergste is wat je kunt ervaren. Ik denk, eerlijk gezegd, dat je het een ramp zult vinden. Want wat is de reden dat wij in onze wereld onze schouders ophalen over ‘een beetje kiespijn’? Heel simpel: wij weten dat wij niet moeten mopperen; anderen hebben het veel moeilijker. Pas als het echt ondraaglijk wordt, zullen we misschien gaan klagen, maar zelfs dan ken ik weinig mensen die zeggen: ‘Ik kan niet in een God geloven, die kiespijn toelaat’. Overigens, bedenk ik me, is dit misschien een effect van dergelijke grote rampen of het grote leed dat mensen in onze omgeving kan overkomen: dat zij ons verhinderen om ons teveel met onszelf en ons miezerige leed bezig te houden? Verhinderen zij dat ons egoïsme te sterk wordt?
Hoe anders is dat in ons utopia! De vraag waarom God het lijden toelaat, is niet verdwenen. Hij is alleen verschoven. ‘Het’ lijden, daarvan is de hoogste graad nu kiespijn. Dit klinkt misschien belachelijk, maar dat is het alleen omdat wij in een heel andere wereld leven. Probeer je voor te stellen dat kiespijn werkelijk het ergste is dat je kan overkomen. Probeer je voor te stellen dat je werkelijk geen idee hebt van iets ergers dat ook had kunnen gebeuren en dat je helpt dit te accepteren. Misschien helpt het om de ervaringen van verplegend personeel erbij te betrekken. Die kunnen je vertellen dat de mensen die het hardste klagen meestal diegenen zijn die nooit wat hebben gehad in hun leven. Zoals de man van 76 van wie ik laatst hoorde. Hij, noch zijn vrouw waren ooit een dag ziek geweest in hun leven. Nu had zijn vrouw reuma gekregen en hij zei bitter: ‘God laat me mooi in de steek’.
Je bent dus in utopia en je kiespijn houdt aan. Je vraagt je af: ‘Waarom krijg ik kiespijn en een ander niet?’. Je raadpleegt een tandarts (andere artsen zijn niet nodig in utopia en ze bestaan dan ook niet). Vervolgens spreek je een predikant. Deze raadpleegt dikke boeken in zijn theologische boekenkast. De titels zijn: ‘Wat als kiespijn goede mensen treft?’, ‘Het mysterie van de tandpijn’, ‘Kiespijn … hoe lang nog?’ en dergelijke. Hij probeert je uit te leggen dat kiespijn geen zin heeft, maar dat het misschien toch een goede uitwerking kan hebben in je leven. Je vindt het maar een slappe verklaring. Eigenlijk wil je geen verklaringen horen; je bent boos. Woedend ben je op God, dat andere mensen gewoon pijnloos door het leven kunnen gaan, terwijl jij ligt te kronkelen van de kiespijn. Wil God voorkomen dat mensen Hem ter verantwoording roepen, dan kan Hij twee dingen doen. Hij kan mensen herinneringen en beelden geven van dingen die veel erger zijn dan kiespijn. Dan zullen ze daarover niet meer klagen, maar in plaats daarvan medelijden en barmhartigheid beoefenen. Alleen, als deze herinneringen en beelden realiteitswaarde moeten hebben, zal God ook echt zulke erge dingen moeten toelaten. En dan zijn we weer terug bij af. Kortom, God zal ook kiespijn moeten uitbannen.
Misschien zeg je: ‘Dat is onzin. Ik zou al heel tevreden zijn als God dergelijke rampen met de helft verminderde, of ervoor zorgde dat mensen elkaar nog maar heel zelden kwaad aandoen. God hoeft geen utopia te maken; het zou al helpen als de wereld een betere plaats werd’. Jij zou dan wellicht tevreden zijn, maar het probleem is natuurlijk dat er dan nog altijd mensen zullen zijn die getroffen worden door leed. En zij zullen het uitroepen naar de hemel. Dus de reden om niet in God te geloven vanwege het leed dat Hij toelaat, blijft. Er zit daarom niets anders op, dan dat ook kiespijn naar de vergetelheid verdwijnt.
Wat is er dan nog over? Nu, mensen sterven nog. Laten we ervan uitgaan dat mensen alleen maar sterven op hoge ouderdom. Maar niet door ziekte, want mensen in utopia worden niet ziek. God moet ook oppassen dat mensen niet op verschillende leeftijden sterven. In een wereld waarin vrijwel geen leed meer voorkomt, kan zelfs het verschil van een paar jaar al scheve ogen geven. Waarom moet ik al sterven, terwijl een ander nog een tijdje hier mag zijn? Bovendien heeft niemand in utopia psychisch te lijden. Dit is een probleem: kerngezonde mensen, zonder ouderdomsdepressies of hardhorendheid, die niettemin toch een keer moeten sterven. Hoe kan God dit regelen, zonder scheve ogen te veroorzaken? Dit lijkt onoplosbaar. Zelfs wanneer God mensen allemaal op exact dezelfde leeftijd in een oogwenk zou laten sterven, zouden de nabestaanden verdriet kunnen ervaren of in elk geval negatieve emoties. Bovendien zou iedereen door naar anderen te kijken precies weten wanneer hij of zij zelf zou sterven en wanneer er dus een eind aan zijn of haar prettige leven zou komen. Ook dit verhoogt de levensvreugde niet. Er lijkt dus weinig anders op te zitten dan dat er in utopia geen mensen sterven. God moet eeuwig leven geven aan allen. Het probleem dat er wel kinderen geboren worden en er niemand sterft, levert in utopia echter wel beheersproblemen op. We wilden immers ook de niet-menselijke wereld zonder leed zien en zeldzame vlinders zijn doorgaans niet blij met onze bevolkingsgroei. God kan dit oplossen door geen kinderen geboren te laten worden, maar daarmee zou Hij veel mensen vreugde ontnemen. Een lastige kwestie dus, die wij nu niet gaan oplossen.
Is nu werkelijk elke reden verdwenen om God iets te verwijten? Opnieuw vraag ik je dit niet te bekijken vanuit de wereld waarin je nu zit. Het gaat erom hoe de burgers van ons utopia zouden reageren. Ik denk dat zij nog steeds een reden zouden kunnen vinden voor hun vraag. Immers, zij zijn er zelf nog en mensen zijn niet volmaakt. Er is nog altijd het leed dat wij elkaar en onszelf aandoen door ons egoïsme, manipulatie en bedilzucht. Laten we ervan uitgaan dat alle echt onverantwoordelijke en slechte mensen al eerder zijn verdwenen en uit ons geheugen gewist, toen God misdaad en oorlog opruimde. Dan blijven wij, gewone en goedbedoelende mensen over. In een wereld waarin er niets anders is om je druk over te maken, zou je kunnen vragen: ‘Waarom laat God toe dat mijn vrouw al een week niet met me praat?’, ‘Hoe kan er een God bestaan als mijn zoon mij voorliegt?’. Iemand die wat kritischer is op zichzelf, zegt misschien: ‘God, waarom veroorzaak ik zo vaak misverstanden om me heen?’ of ‘Waarom ben ik zo kritisch op mezelf?’. En dit soort problemen krijgen onmetelijke proporties, als je jezelf niet meer kunt voorhouden dat je toch echt geen Marc Dutroux of Idi Amin bent. Met andere woorden, je hebt geen mogelijkheid meer om jezelf gunstig te vergelijken en dus jezelf te rechtvaardigen. Dit is alles wat er overgebleven is: het egoïsme van anderen en dat van jezelf. Wil je dat God echt niets meer te verwijten valt, dan zal Hij dat dus ook moeten opruimen. Er moet geen enkele kans zijn dat wij onszelf of anderen ook maar het geringste kwaad aandoen. Sterker nog, zulk kwaad moet zelfs niet bestaan; het moet ondenkbaar zijn.
Ten slotte blijft er nog één probleem over: verveling. Als er niets meer is om bang voor te zijn, je over op te winden, boos om te worden, onder te lijden, zal dan het leven niet ondraaglijk saai zijn? Hebben wij die spanning niet nodig? Is het geen onderdeel van ons geluk dat we weten dat het ook heel anders had kunnen zijn? Met andere woorden: als God echt elke reden om Hem iets te verwijten zou verwijderen, zou Hij dan ons leven niet pas echt tot een steriele hel maken?
Kortom, wat kan God doen om dit leven kleur en vreugde te geven? Ik denk dat God dit op twee manieren kan oplossen. Allereerst zal Hij ons moeten maken tot volmaakte mensen, die er alleen maar op uit zijn om goed te doen en te dienen. Juist het dienen en helpen van anderen moet ons hoogste geluk zijn, een bron van voortdurende vreugde. Wij zullen heiligen moeten zijn: mensen die volmaakt geïnteresseerd zijn in elkaars leven en oprecht genieten van alles wat ze zien. Mensen die diep respect hebben voor elkaar en alles doen om elkaars blijdschap te verhogen. Dit alles zou moeten plaatsvinden temidden van een niet-menselijke natuur die eveneens dezelfde geest ademt. Die natuur moet schitterend zijn en boeiend.
Op zichzelf zou dit genoeg kunnen zijn, maar wat is vreugde zonder gezonde spanning? God kan de vreugde nog verhogen door zichzelf aan te bieden. Als het enigszins waar is wat er over God gezegd wordt in de bijbel, dan moet het aanschouwen van God een fantastisch iets zijn. Het geeft juist die opwinding en tegelijk blijdschap die het leven in dit utopia tot een spannend avontuur kan maken. ‘Ik heb God gezien en leef!’ (Genesis 32:20). ‘He is not safe. But He is good’.
In zo’n wereld is God gerechtvaardigd. Maar, zoals je ziet, voordat dit kan gebeuren, moeten wij gerechtvaardigd zijn.
Einde van ons gedachtenexperiment. Misschien helpt het je om een aantal antwoorden die de bijbel geeft te begrijpen.
Er is maar één manier waarop God onze vraag ‘Waarom laat U het lijden toe?’ zou kunnen wegnemen: door alle kwaad in de wereld en in ons te verwijderen. Met andere woorden: het lijden en kwaad in de wereld is niet los verkrijgbaar; het hangt op een bepaalde manier met elkaar samen. Zolang het kwaad in onszelf is, ook al is het maar een miniem restje, zullen wij blijven vragen ‘Waarom laat U dit toe?’. Want ook dit kwaad veroorzaakt lijden, ook al is het misschien maar een druppeltje op wereldschaal. En dat zien we des te beter wanneer alle andere druppeltjes, emmers en zeeën van leed zijn weggenomen.
Ons gedachtenexperiment laat hopelijk ook zien hoe wijd vertakt het probleem van het kwaad is. Het is niet te isoleren tot een natuurramp hier en een kinderverkrachter daar. Het is alomtegenwoordig. Het probleem van het kwaad vraagt dus om een totaalaanpak. Daarom schiet het te kort wanneer we zeggen: ‘Laat God hier en daar eens wat oplossen’. Laat ik proberen dit te verduidelijken met een beeld. Als iemand een totaal verkankerd orgaan heeft, kan hij de dokter vragen om de pijn te bestrijden. De dokter zal echter zeggen: ‘Er is maar één mogelijkheid; dit hele orgaan moet vervangen worden’. Dit is exact de benadering die God heeft beloofd in de bijbel. Hij belooft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). Dat is dus geen gerepareerde aarde: het kwaad zit te diep.
De vraag is dan: waarom wacht God met deze nieuwe hemel en nieuwe aarde? Als je het voorgaande acceptabel vindt, begrijp je misschien waarom God jouw boosheid en radeloosheid maar op één manier kan wegnemen: door niet alleen de wereld, maar ook jou te veranderen. En Hij zal het allebei moeten doen, wil Hij zichzelf in onze ogen rechtvaardigen. Het zal niet helpen wanneer Hij geen tsunami’s laat komen en alle oorlogen verhindert, want onze vraag schuift dan gewoon op naar een volgend front.
Hoe kan Hij jou veranderen? Niet zonder dat jij het wil, dat is het punt. Als je God vraagt waarop Hij nog wacht, zegt Hij waarschijnlijk: ‘Onder andere op jou’. In 2 Petrus 3:9 zegt de bijbel dat God wacht met de belofte van zijn herstel, omdat Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen.
Dat laatste is misschien het moeilijkst te verwerken. In Gods wereld is geen plaats voor mensen die zich niet laten veranderen. Het zou dan namelijk geen plaats zonder kwaad zijn. Mensen hoeven zich niet te laten veranderen, als zij dat niet willen, maar dan kan God hen niet gebruiken. En, hoe moeilijk dat voor ons misschien te begrijpen is, God vindt dat blijkbaar zo erg dat Hij nog wacht. Je zou kunnen zeggen dat God enerzijds niets liever wil dan een eind maken aan deze wereld en hem vervangen door een nieuwe aarde en hemel. Maar dan moet Hij ook een eind maken aan iedereen die zich niet door Hem wilde laten veranderen. En Hij wil ook niets liever dan ‘dat allen tot bekering komen’.
God heeft een weg gezocht in die impasse door naar deze wereld te komen en aan een kruis te sterven. Volgens mij heeft Hij zich daar in zekere zin al ‘gerechtvaardigd’. Hij heeft daar laten zien hoeveel Hij geeft om een wereld die lijdt en hoe graag Hij een einde maakt aan die wereld. Ik ken geen godsdienst waar een god zoiets doet, eerlijk gezegd. Maar Hij heeft daar ook laten zien hoezeer Hij ernaar verlangt om jou en mij te veranderen. Hij draagt de zonden van de wereld, zegt de bijbel. Als je het bovenstaande een beetje hebt gevolgd, zie je dat dit in feite nog altijd gebeurt. God krijgt verwijten omdat Hij een wereld uit liefde in stand houdt, wachtend op mensen die nog afstand van Hem houden. Hij krijgt de schuld voor wat onze schuld is.
Wacht God dan eindeloos? Nee, ook dat niet. In de bijbel komt naar voren dat op een gegeven moment voor God een grens is bereikt. Dan zal Hij een eind maken aan de wereld en aan iedereen die zich niet wilde laten veranderen. Op dat moment zal Hij het kwaad wegnemen, veranderde mensen samensmeden tot een gemeenschap van liefde en blijdschap en zichzelf aanbieden als een majesteitelijke, vreugdevolle en ontzagwekkende Vader.
Nu zeg je misschien: ‘Nou, dan laat ik me toch veranderen? Ik ben er klaar voor’. Of dat echt zo is, kun je gemakkelijk nagaan. Lees in de bijbel het boek Romeinen, hoofdstuk 1-3 en beantwoord de volgende vragen:
Opgestaan uit de dood?
De opstanding van Jezus
De meeste christenen die ik ken zijn redelijk intelligente mensen. Wat ik echt niet snap: 'Hoe kunnen zij nu serieus geloven dat Jezus is opgestaan uit de dood?'
Een van de meest verstrekkende beweringen uit de Evangeliën is dat Jezus niet alleen stierf, maar ook weer opstond uit de dood. Voor christenen is dit namelijk een heel centraal punt in hun geloof.
Ik wil graag ingaan op deze vraag, via twee stappen:
1. Eerst geef ik een aantal argumenten waarom wonderen wel kunnen gebeuren.
2. Dan beargumenteer ik waarom ik geloof dat Jezus inderdaad is opgestaan uit de dood.
Maar vooraf even een korte intro.
Inleiding
In de pagina 'Hoe weet je dat de Bijbel betrouwbaar is' vind je algemene informatie over de redenen waarom het Nieuwe Testament (waarin wordt geschreven over de opstanding van Jezus) in het algemeen een betrouwbaar boek is. Misschien is het handig die tekst eerst te lezen.
Graag noem ik nog even de voornaamste punten uit die pagina:
- De Evangeliën (de eerste vier boeken van het Nieuwe Testament) werden geschreven door ooggetuigen of mensen die in nauw contact met hen stonden.
- Ze werden geschreven door mensen die naar alles wat wij weten hoge morele standaards hadden, niet het type mensen dat geraffineerde leugens in elkaar draait. Zij waren zelfs bereid om te sterven voor hun beweringen.
- Ze werden geschreven door mensen die de meest onwaarschijnlijke typen waren om te geloven in een mens die God was en opstond uit de dood. Zij waren merendeels orthodoxe Joden en hun weerstand tegen een dergelijk geloof moet enorm geweest zijn.
- Ze werden geschreven door mensen die voorzover wij kunnen nagaan niet labieler of hysterischer waren dan wie van ons ook. Integendeel, ook later blijken het stabiele leidersfiguren te zijn die zich bepaald niet snel uit het veld laten slaan.
- Ze werden geschreven door mensen die niets te winnen hadden bij de claims die zij deden. Integendeel, zij hadden er alleen bij te verliezen. Om hoop te houden stonden voor hen als Joden ook andere wegen open dan het verzinnen van een opstanding uit de dood.
- Ze werden geschreven binnen enkele decennia na de opstanding (terwijl de brieven van Paulus nog ouder zijn), dus in een tijd dat talloze ooggetuigen nog in leven waren. Allerlei onzin zou snel weerlegd zijn. Het christelijk geloof had nooit zo’n hoge vlucht kunnen nemen als de hele omgeving kon aantonen dat het allemaal verzonnen was.
- Ze werden geschreven in een uiterst vijandige omgeving, die er alle belang bij had en ook de macht en de gelegenheid om de waarheid van de claims van de apostelen te weerleggen. De apostelen zijn op alle manieren vervolgd en bestreden, maar de waarheid van hun beweringen werd niet of nauwelijks aangevochten.
- De stijl en opbouw van de Evangeliën wijkt totaal af van alles wat wij als mythen en legenden plegen te beschouwen. Zij dragen alle kenmerken van historische verslagen.
- De tekstuele overlevering van de Evangeliën is uiterst betrouwbaar. Het is niet mogelijk dat de kerk later de teksten nog even grondig heeft herschreven. De Evangeliën die wij hebben bevatten de verhalen die in die tijd de ronde deden.
Kunnen wonderen wel gebeuren?
Wonderen in het Nieuwe Testament (NT)
Het NT is een document waarin dingen staan, die we normaal gesproken niet veel meemaken. Dat noemen we wonderen: afwijkingen van de normale gang van zaken in de natuur. Het NT is er niet mee bezaaid: het is in feite een boek dat, vergeleken met wat we doorgaans aan religieuze literatuur zien, tamelijk karig is met wonderen. En het soort wonderen dat erin beschreven wordt, is vaak opmerkelijk 'functioneel'. Geen mensen met twee hoofden, geen bloedende beelden, geen show omwille van de show. Jezus is er terughoudend mee en verbiedt zijn leerlingen regelmatig erover te praten. Maar wonderen staan erin.
Een redenering die je tamelijk veel tegenkomt, is dan de volgende: 'Wonderen kunnen niet. Een document waarin wonderen worden beschreven, is alleen om die reden al verdacht. Alle andere argumenten die eventueel kunnen pleiten voor de betrouwbaarheid van dit document, zijn daarmee vervallen als irrelevant. Het NT kunnen we dan, zonder verder nadenken, bijzetten in het vak 'religieuze literatuur' (samen met het Boek van Mormon enz.) Natuurlijk, het blijft wanneer we het onderwerpen aan een rationalistische parafrase nog steeds wel van enige historische waarde, maar verder hoeven we het niet serieus te nemen. En trouwens, als mensen wonderen beschrijven, hoeven we ze waarschijnlijk ook niet echt te vertrouwen als betrouwbare geschiedschrijvers. Ondanks alle schijn van het tegendeel. Ook al lijken ze te voldoen aan alle criteria waaraan betrouwbare geschiedschrijvers voldoen, dit doet hen door de mand vallen. We zullen dus op zoek moeten naar andere verklaringen voor hun doen en laten, ook al zijn die soms nogal gezocht en onbewijsbaar. Desnoods gaan we ze op een afstand van 2000 jaar en over een hele culturele kloof heen psycho-analyseren. Alles is beter dan te veronderstellen dat er echt wonderen zouden gebeuren.'
Randvoorwaarden voor wonderen
Aldus beschrijf ik maar even wat ik het metafysisch vooroordeel noem. Ik kan er dit van zeggen:
- Er is niets tegen het voorkomen van wonderen op zich - natuurwetten beschrijven wat wij aan regelmatige patronen waarnemen in de werkelijkheid (en krijgen daardoor een zekere voorspellende waarde, hoewel niet absoluut), maar ze schrijven niet voor. Uit wat nu het geval is, kunnen wij niet afleiden dat het altijd zo moet zijn of dat het nooit anders kan. Wij verwachten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat morgen de zon opkomt. Echter, als iemand vandaag beweert dat dat morgen niet zal gebeuren, zullen wij alleen zekerheid hebben wanneer wij morgenochtend afwachten. Dan kunnen wij hem gevoeglijk gek noemen. Wij weten dat mensen doorgaans niet uit de dood opstaan. Maar als iemand beweert dat het ooit wel een keer gebeurd is, kunnen we niet op basis van natuurwetten zeggen dat dat niet kan. Wel kan het ons kritisch maken tegen dergelijke claims en ons laten vragen naar zeer duidelijke onderbouwing ervan. Dat is alleen maar gezond.
- Er is wel wat tegen een al te vaak voorkomen van wonderen - wonderen zijn naar hun aard uitzonderingen en geen regel. Dat vinden christenen ook, althans de niet-fundamentalistische. Christenen geloven in een betrouwbare God, die niet voortdurend afwijkende dingen doet in de wereld. Ook zij zijn geneigd claims op wonderen met een zeker wantrouwen te bekijken: omdat wonderen niet te vaak mogen voorkomen en omdat zij niet geloven in een God die om de haverklap met special effects strooit.
- Christenen hebben er geen enkel probleem mee dat in de natuurwetenschappen geen rekening wordt gehouden met het voorkomen van wonderen. Die worden methodologisch uitgesloten, ook door christelijke natuurwetenschappers. Dat hoeft nog helemaal niet te leiden tot de claim dat wonderen ook niet kunnen gebeuren. Wie dat zegt, doet een geloofsuitspraak. Maar een natuurwetenschapper hoeft niet verder te gaan dan dat hij in het zoeken naar verklaringen geen bovennatuurlijke oorzaken betrekt. Vergelijk het met vissen: als je altijd met een net vist met mazen van 5 cm, zul je nooit kleinere vissen vangen. Daar kun je redenen voor hebben en heel goede, zolang dit je maar niet brengt tot de claim dat er dus geen vissen bestaan die kleiner zijn dan 5 cm.
- Wonderen zijn niet in een laboratorium te herhalen. Ze hebben geen hefbomen en knopjes. Grappig genoeg raken christelijke fundamentalisten en atheïstische fundamentalisten elkaar hier. Beiden gaan ervan uit dat je wonderen kunt 'bestellen' wil het tenminste een wonder heten. De eersten menen dat als je maar hard genoeg bidt en andere rituelen opvoert, God vanzelf altijd een wonder zal doen. De tweede groep meent dat je een wonder moet kunnen herhalen, onder gereguleerde omstandigheden in een lab. De eersten komen vaak in de problemen, omdat God nu eenmaal niet op bestelling levert (christenen geloven niet in magie) met alle cognitieve dissonantie van dien. De tweede groep wijst het wonder af, omdat het niet gereproduceerd kan worden. Inherent aan de definitie van een wonder is echter het onverwachte en unieke. Wanneer het met behulp van de juiste technieken en manipulaties gereproduceerd kan worden, wanneer wij maar willen, is het geen wonder meer. Dan heet het magie of goochelen.
- De mensen in de Bijbel waren niet direct goedgeloviger dan de meeste mensen nu. Als Maria aan Jozef vertelt dat ze zwanger is van de Heilige Geest, vindt hij dat geen sterk argument. Zacharias die te horen krijgt, van een engel nota bene, dat hij nog een zoon krijgt op zijn leeftijd, gelooft het niet. Thomas, een van de leerlingen van Jezus, ging als twijfelaar door het leven. Ook deze mensen kenden de gebruikelijke patronen: zij wisten dat doden doorgaans niet opstaan en dat de kinderen niet uit de boerenkool komen. Laat staan van elders. Het punt is dat het wereldbeeld van Jozef en Thomas en anderen wel een principiële ruimte openliet voor het gebeuren van wonderen. Niet vaak, maar zo heel af en toe. Wanneer ze heel erg met de neus op de feiten gedrukt werden, konden ze het geloven. Vaak tegen wil en dank.
- Mensen die per definitie niet geloven in wonderen, hebben een gesloten wereldbeeld. Ik zou ze het niet willen misgunnen, maar erg wetenschappelijk is het niet. Als je zegt dat je niet in wonderen gelooft (terwijl de natuurwetten niet verbieden om erin te geloven) en ook nooit zult geloven dat het gebeurt, hoe betrouwbaar degene ook is die het claimt, dan stel je je daarmee op een standpunt dat niet te verifiëren of te falsifiëren is. Je hebt een standpunt ingenomen en no matter what, je zult je niet laten overtuigen. Deur dicht, punt uit.
- Hier herinner ik graag maar weer eens aan mijn geliefde citaat van Ludwig Wittgenstein: 'Don't think, look.' M.a.w. laat je waarneming niet al vooraf inperken door je denkbeelden. Kijk wat je ziet en beoordeel daarna, in plaats van te denken: ik geloof niet dat dit kan, dus kan het niet.
- Mijn punt is dus: als iemand een wonder claimt, zul je uiterst kritisch moeten zijn (ook als je christen bent en in principe niet afwijzend staat tegenover het gebeuren van wonderen). Dat kritische zal neerkomen op een zorgvuldig toetsen van degene die de claim doet. Is hij of zij betrouwbaar, voor zover we dat kunnen nagaan? Als deze persoon naar alle daarvoor geldende maatstaven betrouwbaar blijkt te zijn, dan kan alleen ons wereldbeeld ons nog ertoe brengen om hem of haar voor leugenaar, fantast of misleide dwaas uit te maken. Als ons wereldbeeld ons verder niet in de weg zit om dat te doen, geef je je bron het vertrouwen. Totdat het tegendeel blijkt. Dat ontslaat je nog niet van het zorgvuldig lezen van de Bijbeltekst. Het kan zelfs zijn dat je bepaalde zaken die als wonderen beschreven worden met behulp van onze medische kennis eerder ziet als een 'normaal' genezingsproces. Wanneer Jezus bijvoorbeeld iemand met een verlamde hand geneest, is er iets voor te zeggen dat hij hier een typische 'neurotische verlamming' aanpakt. Als hij beschreven wordt als over het water wandelend, zal een Bijbels geïnformeerd iemand denken aan oudtestamentische beelden van het water als chaos en kwade macht. Dat kan (maar hoeft niet te) leiden tot een symbolische interpretatie van zon verhaal (hoewel je dan zult moeten verklaren waarom men ertoe kwam om Jezus op die manier te schilderen). Maar die conclusie trek je dan op basis van de tekst en niet op basis van je wereldbeeld.
Waarom geloof ik dat Jezus is opgestaan uit de dood?
Is het echt gebeurd?
De Evangeliën berichten dat Jezus stierf en vervolgens uit de dood opstond. Zij berichten ook dat hij dat zelf vooraf al had voorspeld: op de derde dag zou hij opstaan (Matteüs 16:21; 17:22-23; 20:17-28; 26:32 enz.). Bij zijn proces is dat ook de reden van zijn doodvonnis: de Hoge Raad veroordeelt hem omdat hij gezegd had dat hij '' deze tempel' zou afbreken en 'in drie dagen weer opbouwen', hoewel zij de bedoeling van deze uitspraak niet begrepen. Grappig is dat Matteüs en Markus de uitspraak ook allebei vermelden, maar duidelijk ook niet goed begrijpen wat hij ermee bedoelde. Als het later in zijn mond gelegd zou zijn, zouden de schrijvers er geen twijfel over hebben laten bestaan wat er bedoeld werd met deze uitspraak. Kortom, Jezus heeft zijn eigen dood en opstanding aangekondigd. Wanneer het dan ook nog echt gebeurt, mag dat tamelijk uniek heten lijkt mij.
Is het echt gebeurd?, dat is dan de vraag.
Eerst wil ik ingaan op de verslaglegging in de Evangeliën, zeg maar de talige kant van de zaak. Daarna iets over de inhoud van de claims en de beschrijvingen.
Geen complot
De opstanding wordt genoemd in allevier de Evangeliën (in Marcus wordt hij gesuggereerd), maar zij verschillen in hun beschrijving. Op zich is dat overigens geen bewijs dat het niet klopt. Wanneer vier min of meer onafhankelijke teksten allemaal precies hetzelfde verhaal zouden hebben, zou je argwanend moeten worden: of ze hebben de koppen bij elkaar gestoken om samen een sluitend verhaal in elkaar te draaien, of ze gaan allevier terug op een en dezelfde bron die ze letterlijk overnemen. Juist de relatieve onafhankelijkheid van de verslagen en hun onderlinge verschillen (met de overeenkomst op hoofdzaken) pleit voor het feit dat er echte historische gebeurtenissen achter schuil gaan. Ik citeer hier eenn van de grootste geleerden van dit moment (geen christen): E. P. Sanders, The Historical Figure of Jesus, Penguin Books, London 1993, 279-280 (hij wijst op de verschillende mensen die Jezus zouden hebben gezien na zijn dood; de verschillende evangeliën en ook Paulus in 1 Kor. 15 noemen deels verschillende namen):
'I do not regard deliberate fraud as a worthwile explanation. Many of the people in these lists were to spend the rest of their lives proclaiming that they had seen the risen Lord and several of them would die for their cause. Moreover, a calculated deception should have produced greater unanimity. (...) That Jesus' followers (and later Paul) had resurrection experiences is, in my judgement, a fact. What the reality was that gave rise to the experiences I do not know.'
Sanders zegt dus: ze hebben Jezus gezien, maar ik weet niet hoe of in welke vorm. Hij wijst verklaringen in de richting van hysterie of hallucinaties af. Deze botsen teveel met de verschillende overleveringen (nu weer grote groepen tegelijk, dan weer enkelingen, dan weer kleine groepen). Bedrog wijst hij dus ook af. Daartegen pleit overigens ook dat de Evangeliën nergens de opstanding zelf beschrijven. Daar is niemand bij geweest en zij beweren dat ook niet. Bedriegers zouden daarover natuurlijk wel een mooi verhaal in elkaar hebben gedraaid, nog niet gehinderd door moderne vooronderstellingen. Latere imitaties van de Evangeliën (uit de 2e en 3e eeuw) vullen juist de witte plekken in van de vier Bijbelse Evangeliën: de jeugd van Jezus en de opstanding in geuren en kleuren. Hiertegenover valt de terughoudendheid van de echte Evangeliën op. Zij vertellen simpelweg wat is waargenomen. Niet meer en niet minder.
Vrouwen als eerste getuigen
Nog een zeer belangrijk argument wil ik hier noemen. Allevier de Evangeliën schrijven de ontdekking van het lege graf en het zien van de eerste verschijningen toe aan vrouwen. Dat zijn van die dingen waar wij snel overheen lezen, maar in feite zou dit ongehoord zijn geweest wanneer dit verzonnen of legendarische verslagen waren. Vrouwen stonden bekend als notoir onbetrouwbare getuigen. Een claim van dergelijke omvang baseren op het getuigenis van een vrouw zou in die tijd het stomste zijn wat je kon doen. Tenzij het echt gebeurd was, natuurlijk.
Tegenstellingen tussen de Evangeliën
Toch zijn de van elkaar verschillende beschrijvingen voor sommige mensen aanleiding geweest om de historiciteit van de opstanding in twijfel te trekken. Vaak hebben zij zich daarbij onvoldoende verdiept in de hieronder staande argumenten voor de historiciteit van de opstanding.
- Wat vaak genoemd wordt is dat het oudste Evangelie, Marcus, ophoudt wanneer de vrouwen het lege graf ontdekken en te horen krijgen dat Jezus is opgestaan (het slot van Marcus, vanaf vers 9 in hoofdstuk 16, is waarschijnlijk later toegevoegd). Verschijningen ontbreken. Maar dit afgebroken slot (Marcus eindigt met 'vrees') is heel goed te verklaren vanuit de eigen stijl van Marcus. Hij schrijft voortdurend kort en afgemeten (het is
verreweg het kortste Evangelie), gebruikt voortdurend het woord 'terstond', houdt van opschieten en wat meer is: hij legt voortdurend de nadruk op de vrees (ontzag) voor God bij degenen die getuige zijn van Jezus' wonderen en het feit dat de discipelen niet begrijpen wie Jezus is, ook al worden ze er met de neus bovenop gedrukt. Marcus verhult voortdurend. In zijn Evangelie verbiedt Jezus steeds zijn leerlingen om te praten over wie hij is en wat hij doet. Het 'open slot' past uitstekend in die verteltrant. Dit los van het feit dat de brieven van Paulus de opstanding ook noemen. De brief aan Tessalonica is bijv. nog 10 jaar ouder dan Marcus.
- De vermeende tegenspraken tussen de Evangeliën worden vaak aangevoerd om aan te geven dat hun verslag niet kan kloppen. Hierboven zei ik al dat tegenspraken in relatief onafhankelijke verslagen de authenticiteit ervan juist gunstiger maken (mits ze natuurlijk niet totaal verschillende verhalen vertellen). De overeenstemming op hoofdzaken en de verschillen in details zijn ook kenmerkend voor getuigenverslagen voor een rechtbank bijvoorbeeld. De een heeft een rode auto gezien en de andere een oranje, maar ze hebben allebei een auto gezien op die plaats.
- Verder wordt hierbij vaak heel weinig aandacht gegeven aan het feit dat de meeste van deze 'tegenspraken' heel gemakkelijk met elkaar te verzoenen zijn. Het feit dat bijv. Marcus 'een jonge man' noemt bij het graf, Lucas 'twee mannen', Matteüs 'een engel' en Johannes 'twee engelen', is eenvoudig te verklaren: (a) engelen verschijnen in de Bijbel meestal in de gedaante van mannen; Marcus en Lucas vertellen dus hoe ze eruit zagen en Matteüs en Johannes vertellen wat ze waren; (b) als een van de twee het woord voerde, hoeft het niemand te verbazen dat hij alleen wordt genoemd.
- Een ander verschil is dat Jezus bij Matteüs en Marcus alleen in Galilea verschijnt en bij Lucas en Johannes alleen in Jeruzalem. Mogelijke verklaring: het is waarschijnlijk dat Jezus aan de elf leerlingen verscheen in Galilea, toen zij terug waren gekomen van het Paasfeest en toen opnieuw in Jeruzalem, toen zij terugkeerden om zich voor te bereiden op het Pinksterfeest tien dagen later. Daar waren weer verschillende mensen bij, dus het is aan te nemen dat er verhalen de ronde gingen doen dat Jezus in Galilea was verschenen, maar ook parallelle verhalen dat hij in Jeruzalem was verschenen. Men reisde toen nog niet veel en beschikte niet over sms om elkaar bij te praten.
- Nog een mogelijk probleem: de namen van de vrouwen die naar het graf gingen zijn steeds iets verschillend bij allevier de Evangeliën. Ook zegt het ene Evangelie dat het nog donker was en het andere dat de zon al begon op te komen. Een mogelijke verklaring: (a) Salome is zowel de 'moeder van Jakobus en Johannes' als de zus van Maria, Jezus' moeder; er is dus geen onverzoenbaar probleem met de lijst van vrouwennamen; (b) het is niet ongewoon om de wereld te beschrijven als nog tamelijk donker, ook al begint de zon al op te komen.
Natuurlijk zijn dit allemaal speculatieve verklaringen, want gegevens hebben we niet. Het laat alleen maar zien dat je je niet in allerlei bochten hoeft te wringen om dit soort vermeende tegenstrijdigheden op te lossen. Maar het blijft natuurlijk altijd mogelijk dat de verschillende informanten van de evangelisten, gecombineerd met hun eigen herinneringen op dit soort details enige verwarring schiepen. Toen zij vertelden van Jezus' opstanding zal hun eerste zorg ook niet zijn geweest of er nu precies een of twee mannen aan het graf stonden en of het nu al licht was of toch nog een beetje donker.
Nu iets over de inhoud van de claims.
Drie feiten
De vermelding van de opstanding in een bundel geschriften waarvan we goede redenen hebben om aan te nemen dat zij historisch betrouwbaar zijn (zie bovenaan deze pagina), moet ons in elk geval aansporen om deze claim heel serieus te nemen en niet op voorhand uit te gaan van verdwazing of leugens.
Drie dingen staan wel vast en worden door niemand betwist:
- Jezus stierf echt.
- Het graf was leeg.
- De discipelen waren eerst uiterst verslagen en een aantal dagen later ineens overtuigd dat Jezus was opgestaan uit de dood. Zij beweerden hem gezien te hebben. Dat zij 'iets' gezien hebben, wordt ook vrij algemeen aangenomen.
Dit zijn drie zaken die om een verklaring vragen. Welteverstaan, een verklaring van alledrie deze gegevens tegelijk. De Evangeliën geven de volgende verklaring: Jezus stond op uit de dood en verscheen aan zijn leerlingen.
Mogelijke verklaringen
Wat zijn de andere mogelijkheden om dit te verklaren, behalve dan de claim van de discipelen (die er hoe dan ook het dichtst bij waren van ons allemaal) te accepteren?
- Het lichaam werd door de leerlingen van Jezus (= discipelen) gestolen: in Matteüs staat vermeld dat de joodse leiders de soldaten bij het graf omkochten om dit te vertellen. Bezwaren:
- Hoe hadden de discipelen dat moeten doen? Er stond een goedgetrainde wacht voor het graf en de zware steen was verzegeld met het keizerlijk zegel.
- Uit niets blijkt dat de discipelen het ook maar overwogen hebben om dat te doen. Zij waren wanhopig. Ze geloofden de vrouwen niet eens die vertelden dat Jezus was opgestaan. Ze waren te bang, want ze zaten achter gesloten deuren en ramen uit vrees voor de overheid.
- Het lichaam stelen en dan welbewust een leugen verspreiden over de wereld is volslagen in strijd met alles wat we verder weten van hun morele standaards en ook met hun karakter en ruggengraat later. Uit alles blijkt dat de discipelen op z’n minst zelf vast geloofd moeten hebben dat Jezus was opgestaan.
- Het lichaam was ergens anders heen gebracht, door de Joden, door de Romeinen of misschien door Jozef van Arimathea in wiens graf Jezus lag. Bezwaren:
- Er is geen enkele zinnige reden te bedenken waarom Jozef van A dat zou doen. Bovendien had hij het dan in de nacht van zaterdag op zondag moeten doen en zodanig dat niemand erachter kwam, ook niet de soldaten voor het graf. Hij zou er hulp bij nodig gehad hebben en zou zo'n verhaal dan verborgen kunnen blijven, ook nadat de discipelen begonnen te vertellen dat Jezus was opgestaan? En wat was zijn belang om dit te doen? Zou hij zijn medediscipelen zo willen bedriegen? Waarom?
- Als de joden of Romeinen het lichaam hadden verwijderd, hadden ze de simpelste troef in handen gehad die iemand zich maar kan voorstellen om het christendom de kop in te drukken. Hang het lijk ergens neer waar iedereen het kan zien en klaar ben je. Maar het is duidelijk dat ook zij niet wisten waar het lichaam was gebleven. Anders hoefden de Joden ook de soldaten niet om te kopen.
- Volgens de waarneming van de eersten die in het graf kwamen kijken, lagen de grafdoeken keurig opgevouwen waar Jezus had gelegen. Wanneer iemand het lichaam
had gestolen of verwijderd (ondanks alle voorgaande onmogelijkheden), dan zou hij toch niet eerst de doeken hebben afgewikkeld?
- De vrouwen vergisten zich in het graf. Een tamelijk onzinnige gedachte, maar goed. Bezwaren:
- Marcus deelt mee dat de zon al opging toen de vrouwen gingen en Johannes maakt duidelijk dat Maria ervan uit kon gaan dat er blijkbaar al een tuinman aan het werk was. Het was dus nog wel erg vroeg, maar toch niet zo pikdonker dat ze het goede graf niet konden vinden.
- Ook hier geldt: er waren genoeg mensen die er belang bij hadden om het goede graf aan te wijzen, terwijl de discipelen die later gingen toch ook het lege graf vonden.
Kortom, het graf was leeg en alternatieve theorieën waarom het leeg zou zijn, liggen niet zo voor de hand als iemand op het eerste gezicht zou kunnen denken.
De verschijningen na Jezus' dood
Vervolgens de verschijningen. De leerlingen claimen Jezus na zijn dood te hebben gezien, met hem te hebben gesproken en gegeten, hem te hebben aangeraakt. Hoe kunnen we dat verklaren?
- De leerlingen hallucineerden. Dit is erg ongeloofwaardig in het licht van de feiten:
- Jezus verscheen aan groepen mensen tegelijk: de elf leerlingen, een groepje vrouwen enz. Bij de hemelvaart waren er waarschijnlijk nog meer. Paulus schrijft in 1 Corintiërs 15:6 dat Jezus eenmaal aan meer dan 500 mensen tegelijk is verschenen, 'van wie het merendeel nog in leven is'. Hij verwijst hier dus naar toen nog levende ooggetuigen. Het is uiterst moeilijk voorstelbaar, zo niet ondenkbaar, dat zoveel mensen tegelijk dezelfde hallucinatie kregen.
- Hallucinatie verklaart het lege graf niet. Wie pleit voor hallucinatie, moet dus ook een verklaring bedenken voor het lege graf. En dat is nog niet zo gemakkelijk hebben we gezien.
- Meestal wordt bij dergelijke 'psychologische' verklaringen wel heel gemakkelijk ervan uitgegaan dat mensen hallucinaties krijgen. Maar hoe vaak komt dat nu echt voor bij mensen die verder psychisch gezond zijn? En welke redenen hebben we om aan te nemen dat de leerlingen en alle anderen die Jezus zagen psychotisch waren? Verdriet, angst en verslagenheid alleen zijn niet genoeg om hallucinaties op te wekken.
- De leerlingen verwachtten absoluut niet dat Jezus zou opstaan. Ergens moet aan een hallucinatie toch een wensdroom ten grondslag liggen, denk ik. Maar nergens blijkt dat zij rekening hielden met iets dergelijks. De vrouwen gingen naar het graf om nog eens goed voor het lichaam te zorgen. Alles wijst erop dat zij wilden starten met bedevaarten naar het graf van een gestorven rabbi, iets zeer gebruikelijks in die tijd.
- Waren de leerlingen het type mensen dat vatbaar is voor hallucinaties? Mensen als Thomas en Paulus lijken toch uiterst kritische mensen te zijn geweest. Thomas zei: ik geloof het pas als ik hem zie en voel. Paulus bestreed de christenen te vuur en te zwaard. Hij was een zeer intelligent mens, doorkneed in de Bijbel, vurig joods, volledig overtuigd van het ongelijk van de christenen. Zo iemand keert niet 180 graden om op basis van een hallucinatie, laat staan dat hij zijn hele carrière en zijn leven ervoor in de waagschaal zet. Twee andere discipelen (Lucas 24) waren moedeloos op weg naar huis. Dat lijkt een heel normale reactie, die helemaal niet wijst op ontvankelijkheid voor hallucinaties. Petrus was impulsief, maar niet hypergevoelig of labiel. Jakobus, de broer van Jezus, geloofde tot vlak voor zijn dood niet in hem. Na
zijn dood was hij echter een vurige volgeling en leider van de christenen in Jeruzalem. Al zou een dergelijk iemand al tegen alle verwachtingen in een hallucinatie krijgen, dan nog valt het moeilijk te begrijpen dat hij er zo door zou veranderen.
- De leerlingen drukten hiermee de overtuiging uit dat Jezus voortleefde in hun herinneringen. Zijn geest leefde voort (zoals de LPF nog wordt gedreven door de geest van Pim, getuige de vele ruzies). Dit is wel een 'veilige' verklaring, maar in strijd met de gegevens:
- Waarom zouden de leerlingen dan dat hele gedoe van een 'opstanding uit de dood' erbij hebben gehaald? Er waren genoeg andere manieren om aan te geven dat Jezus ook na zijn dood nog op de een of andere manier bij hen was of dat ze een 'lijntje' met hem hadden, zonder zich in problemen te brengen met de claim van de opstanding. Zij hadden naar Jezus kunnen verwijzen als een gestorven rechtvaardige, verheerlijkt bij God, in lijn met het OT en het joodse denken.
- Hoe is dit te verzoenen met het lege graf?
Hoezeer het misschien ook tegen een modern en 'gesloten' wereldbeeld indruist, er lijkt maar een verklaring te zijn die aan de feiten recht doet: de leerlingen hebben werkelijk Jezus gezien na diens dood. Die verschijningen waren blijkbaar zo echt en overtuigend dat zij veranderden als een blad aan een boom: van angstige en weggedoken mensen werden zij binnen enkele dagen tijd overtuigde en moedige leiders van de christelijke beweging, die bereid waren hun leven ervoor te wagen.
Wat zagen ze? Zij zagen een andere Jezus dan voor zijn dood, dat was wel duidelijk. Deze Jezus was soms direct herkenbaar (wanneer hij verschijnt aan de discipelen in de besloten zaal of aan de oever van het meer bijvoorbeeld), maar soms herkende men hem niet direct (bijv. Maria bij het graf denkt eerst dat hij de tuinman is, totdat hij haar aanspreekt; de twee discipelen die op weg zijn naar Emmaüs herkennen hem pas wanneer hij het brood breekt aan tafel). Deze Jezus komt binnen en vertrekt door gesloten deuren, iets wat hij voorheen nooit deed. Niettemin draagt hij nog de wonden van de kruisiging, want Thomas mag ze aanraken.
Maar een geest was hij niet, zoals hij zelf ook nadrukkelijk zegt tegen zijn leerlingen. Hij vraagt hun zelfs om iets te eten en hem eens goed te bekijken, 'want een geest heeft geen vlees en beenderen'.
Paulus spreekt later van een 'geestelijk lichaam' dat is opgewekt, d.w.z. een lichaam dat is gekenmerkt door eigenschappen van God. Hij is nog tien dagen lang bij hen. Het lijkt erop dat Jezus, nu hij is opgestaan uit de dood, beschikt over meer krachten. Of hij toont ze meer.
Zijn plotselinge binnenkomen en verdwijnen is door de godsdienstfilosoof Vincent Brämmer verklaard met behulp van dimensies. Zoals men vanuit de derde dimensie (bijv. een kamer) op elk punt in de tweede dimensie (bijv. een figuur die op de vloer is geschilderd) 'binnen' kan stappen, zo kan men waarschijnlijk uit een vierde of vijfde dimensie op elk punt in de derde dimensie binnenstappen. Wij kennen in onze dagelijkse ervaring maar drie dimensies (en mogelijk een vierde in de tijd), maar in de theoretische natuurkunde gaat men soms al uit van het bestaan van meer dan tien dimensies. Dat wordt natuurlijk zo duizelingwekkend ingewikkeld dat wij ons er niets meer bij kunnen voorstellen. Het is ook maar een model om het een beetje te begrijpen.
Conclusie
Kortom, de beste manier om de gegevens te verklaren is nog altijd de klassieke christelijke boodschap dat Jezus Christus lichamelijk is opgestaan uit de dood, iets wat hij zelf vooraf had aangekondigd.
Waar brengt dat ons? Op zich niet ver. Ik kan me voorstellen dat iemand dit op basis van historisch onderzoek kan vaststellen en toch geen christen is (zie Sanders, maar ook anderen). Christenen geloven dat Jezus' opstanding laat zien dat hij inderdaad is wie hij zegt te zijn. Het bevestigt zijn andere claims over zijn goddelijke afkomst, over zijn missie op aarde enz. Maar dat hoeft iemand niet te geloven die dat niet wil. Je kunt het bij wijze van spreken opnemen in een medisch handboek blz. 334, voetnoot 2: 'Rond het jaar 30 is in Palestina, naar het schijnt een man gestorven en daarna weer levend aangetroffen. Nadien is dit echter niet meer voorgekomen, zodat artsen bij medische handelingen geen rekening hoeven te houden met een eventueel ontwaken van de overledene.'
Jezus' opstanding is geen geïsoleerd feit. Zoals geen enkel feit geïsoleerd is. Hij staat in de context van zijn boodschap, de tradities van het OT en het vroege jodendom. Wie daar opstaat uit de dood, is een man die zegt gelijk aan God te zijn (nota bene als jood zegt hij dat). Hij was een man die vijanden had bij de vleet, vooral onder de religieuze gezagsdragers, maar mensen om hem heen (gewone, nuchtere, weinig lichtgelovige joodse mensen en toch ook wel een enkele gezagsdrager) zo innig aan zich wist te verbinden dat ze voor hem door het vuur zouden gaan, die werkelijk vrienden had, die zei dat hij de messias was, de langverwachte door God beloofde verlosser, die zei dat hij gekomen was om mensen te redden, die zijn eigen dood voorzag en wilde (al zag hij er tegenop) en ook zijn opstanding voorspelde, die tegen zijn tegenstanders kon zeggen: 'Wie overtuigt mij van zonde?' En tegen anderen: 'Ik vergeef je je zonden.' Die met een natuurlijk gezag optrad dat ongekend was ('meer dan de schriftgeleerden'), die kon zeggen: 'Meer dan Salomo is hier.' En: 'Voordat Abraham er was, ben ik.' Die al deze ongehoorde dingen over zichzelf zei en aan wie toch moeders hun kinderen toevertrouwden, die mensen genas en zelfs opwekte uit de dood, deze man stond op uit de dood.
Jezus' dood en opstanding dragen betekenis, in de context waarin zij plaatsvonden. Jezus maakte tot en met zijn opstanding alles waar wat hij zei en deed. Dat geeft alle reden om zijn claims heel serieus te nemen. 'Wie mijn woorden hoort en ze doet, zal merken dat ik ben wie ik zeg te zijn,' zei hij. Ook hier weer die betrokken weg naar de waarheid: op afstand komen we er niet achter.
Hoe weet ik of de Bijbel betrouwbaar is?
Christenen hebben het veel over Jezus. Maar hoe weten ze eigenlijk zoveel over hem? En waarom zou je geloven wat er over hem in de Bijbel staat?
Een goede vraag! Ik vrees dat het een lang antwoord moet worden… Ik wil het verdelen in twee brieven.
De eerste brief gaat over een paar algemene argumenten voor de betrouwbaarheid van de bijbel.
In de tweede brief wil ik redenen geven waarom de Bijbel op een betrouwbare manier is overgeleverd.
Misschien even een paar dingen vooraf:
- Algemene info over de Bijbel vind je op deze site, onder de Bijbel.
- Ik ga hier vooral in op het Nieuwe Testament (dus het tweede deel van de Bijbel), omdat dat over Jezus gaat. In het vervolg kort ik dit af met NT. Van het NT bespreek ik vooral de eerste vier boeken, die 'Evangeliën' heten. Dit zijn levensbeschrijvingen van Jezus. De Evangeliën zijn geschreven door Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. Als ik bijv. de term 'Lucas' gebruik, bedoel ik dus de levensbeschrijving van Jezus zoals die is opgeschreven door Lucas.
- Hierbij nog wat vakliteratuur als je je er verder in wilt verdiepen. zijn. Het zijn teksten van taalwetenschappers, die zich verbazen zich dat in de uitleg van het NT vaak niet wordt gewerkt met algemeen gebruikte historische criteria voor het lezen van klassieke teksten, maar dat daarentegen veel 'strengere' (en huns inziens niet erg wetenschappelijke) criteria worden gehanteerd, waardoor het al op voorhand wordt gediskwalificeerd. Ook worden allerlei metafysische vooroordelen binnengesmokkeld in de analyse van deze teksten. Zij laten helder zien hoe dat gebeurt.
- C.S. Lewis (bij leven hoogleraar middeleeuwse Engelse literatuur in Oxford en Cambridge), 'Fernseed and Elephants', in: Idem, Christian Reflections, Grand Rapids 1967, 191-208.
- Wolfgang Schadewart (classicus, gespecialiseerd in Homerus), 'The Reliability of the Synoptic Tradition', in: Martin Hengel (een van de meest vooraanstaande Nieuw Testamentici van dit moment), Studies in the Gospel of Mark, SCM Press: London 1985, 89-113. Dit artikel gaat vooral over de eerste drie evangeliën, met nadruk op Marcus.
- Dan zou ik je graag wijzen op Craig Blomberg (Nieuw Testamenticus die als een goed vakman bekend staat), The Historical Reliability of the Gospels, Leicester 1987. Dit boek is een populair-wetenschappelijke samenvatting van een internationaal project van Bijbelwetenschappers, getiteld The Gospel Project. Dit verscheen in 6 delen, van 1980-1986 bij Sheffield University Press.
- Lee Strobel, Bewijs genoeg, Hoornaar 2000. Strobel was journalist bij de Chicago Tribune. Toen hij, als atheïst, aangesproken werd door het christelijk geloof, heeft hij een hele serie geleerden op het gebied van archeologie en Bijbelwetenschappen geïnterviewd om zijn vragen beantwoord te krijgen.
- Greg Boyd, Brieven van een scepticus, Barneveld 2001. Boyd is wel theoloog, maar geen Bijbelwetenschapper. Het boek gaat ook over veel meer dan alleen de Bijbel. Het is een briefwisseling over het christelijk geloof, die hij voert met zijn vader (die geen christen was toen de briefwisseling begon).
Dit als voorafje. Laten we nu maar van wal steken.
Brief 1: Algemene argumenten voor de betrouwbaarheid van het NT
Inleiding
Ik vraag van jou niet meer geloof bij het lezen van de evangeliën in het NT dan bijvoorbeeld bij het boek van Mormon. Het gaat mij hier om historische argumenten. Wel hoop ik dat je het NT inderdaad wilt benaderen als elk ander boek met historische claims en niet al op voorhand ervan uitgaat dat het toch onzin is. Dat zal moeten blijken, maar het mag geen uitgangspunt zijn. Een open houding is dus wel belangrijk.
Mijn stelling is dat wanneer de Evangeliën worden onderzocht met behulp van de criteria voor historisch onderzoek die ook gangbaar zijn bij het onderzoeken van andere werken met een historische claim, ze er goed afkomen. Misschien moet ik eerst nog kort zeggen wat de eigen aard is van historisch bewijs. Het gaat hier om waarschijnlijkheden en niet om absolute en dwingende waarheden. In de wiskunde is 1+1 altijd 2. Er is maar een antwoord mogelijk op de som 1+1. En die conclusie is in principe dwingend te beargumenteren. Iemand die de conclusie niet aanvaardt, mag met recht 'onredelijk' genoemd worden. In de geschiedenis is dat anders. Hoewel het hoogst onwaarschijnlijk is, blijft het bijvoorbeeld mogelijk om te ontkennen dat Willem van Oranje ooit heeft geleefd. Er is niemand die het nog kan navertellen. Geschreven bronnen kunnen vervalst zijn.
Het Oranjehuis kan voortgekomen zijn uit een stel bedriegers. We kunnen slachtoffers zijn van een groot complot. Enz. Hier zullen we dus simpelweg de hieronder staande historische criteria moeten gebruiken. Die bepalen hoeveel vertrouwen we geven aan de bronnen. Dat vertrouwen lijkt me in het geval van Willem van Oranje vrij gerechtvaardigd. Maar het is precies wat het is: vertrouwen / geloof in de grote waarschijnlijkheid dat hij heeft geleefd. Een dwingend antwoord is er niet. De waarschijnlijkheid is 99%, maar als iemand werkelijk aan die 1% kans wil vasthouden dat hij niet heeft geleefd, kunnen we niet zeggen dat hij 'onredelijk' is. Eigenwijs misschien, dat wel.
Dat deze redenering niet alleen theoretisch is, blijkt wel uit de veel recentere pogingen van revisionisten om de holocaust te ontkennen. Zij doen dat door de bronnen en de ooggetuigen in diskrediet te brengen. Hun case is historisch gezien uiterst onwaarschijnlijk, maar aangezien zij zich niet beroepen op openbaringen of mystieke ingevingen, kunnen zij alleen bestreden worden met goed historisch onderzoek. Op basis van zo'n onderzoek kan ik zeggen dat ik vertrouwen heb in de historische claims van het NT. Dat maakt het voor mij gemakkelijker om ook de religieuze claims te aanvaarden (ook al hoeft het een nog niet eens noodzakelijk uit het ander voort te vloeien - in elk geval heb je dan een argument minder om het als onzin te beschouwen). Maar een dwingende redenering als in de wiskunde kan ik niet opzetten. Dat kan niemand die historisch of juridisch onderzoek doet.
Hoe doe je historisch onderzoek?
Wat zijn de criteria voor historisch onderzoek? Eerst een aantal interne criteria, dus criteria die te maken hebben met de claims van de tekst zelf. Dit zijn algemeen gebruikelijke criteria, er is niets christelijks aan:
- Was de auteur in zo'n positie dat hij wist waarover hij schreef? Claimt hij een ooggetuigenverslag te schrijven (zoals Johannes) of gebruikt hij bronnen (zoals Lucas)? Uiteraard is een claim op ooggetuige zijn op zichzelf nog geen bewijs voor betrouwbaarheid (de auteur kan liegen), maar het geeft mogelijkheden om te testen. Wanneer een auteur claimt honderden jaren verwijderd te zijn van de beschreven gebeurtenissen en verder ook geen controleerbare bronnen noemt (zoals bijv. de schrijver van het Boek van Mormon, Joseph Smith), maakt dat zijn zaak niet sterker.
- Bevat het document in kwestie specifiek materiaal, waaronder met name informatie die van geen enkel belang is? Sterk ideologische documenten zijn namelijk erg toegeschreven naar een conclusie: er staat geen 'overbodige informatie' in. Ze generaliseren sterk vanuit een totaalconcept. Primaire bronnen vertonen nog veel weerslag van het leven zelf: er staan details enz. in die voor latere lezers niet erg relevant lijken en het in feite ook niet altijd zijn. Het is bijvoorbeeld interessant dat Johannes hoofdstuk 8, vers 6 vermeldt dat Jezus, terwijl een vrouw bij hem gebracht werd, zich bukte en in het zand schreef. Dat lijkt een volkomen irrelevant detail. Iemand die dit verhaal had verzonnen, zou geen enkele reden hebben om het erbij te zetten. Voor iemand die erbij was geweest (zoals Johannes van zichzelf zegt) geldt dat niet.
- Bevat het materiaal informatie die ongunstig is voor de het document zelf of voor de traditie waarbinnen het document is overgeleverd? Het valt bijvoorbeeld op dat in het NT christelijke 'helden' niet bepaald gunstig worden beschreven. Wanneer het simpelweg een verzonnen ideologisch geschrift was, ligt het voor de hand dat iemand geen 'helden' verzint die vervolgens allerlei belastende dingen gaan doen. Wie een beetje op de hoogte is van klassieke literatuur (en trouwens ook van moderne) weet dat het zeer uitzonderlijk is wanneer een traditie informatie overlevert die als belastend voor zichzelf gebruikt kan worden. Dit wordt onvoldoende beseft door al die populaire schrijvers die maar voortdurend hameren op het aambeeld van vervalsing door de christelijke traditie. Als christenen erop uit waren geweest de werkelijkheid mooier voor te stellen dan ze was, hadden ze dat wel beter kunnen doen.
- Hiermee verwant: is het document origineel, gemeten naar de kaders van de tijd waarin het geschreven is, of past het naadloos in toenmalige bekende sjablonen? Het is bijvoorbeeld interessant dat de Evangeliën op zich al een vrij uniek genre vormen. Er zijn geen voorbeelden uit de toenmalige Griekse, Romeinse en Joodse cultuur bekend van gelijksoortige documenten. Verder past Jezus in feite niet in het joodse verwachtingspatroon van die dagen. Dat geldt met name voor zijn goddelijke claims (ik ga daar nog op in). Tenslotte past Jezus ook niet echt in het 'profiel' van een godheid, zoals dat gold in die tijd. Wie de Evangelië onbevooroordeeld en met kennis van die tijd doorleest, zal tot die conclusie moeten komen, lijkt me.
- Is het document redelijk consistent? De vier Evangeliën, hoe verschillend ook, bieden een samenhangend beeld van Jezus, van wat hij deed en wie hij was en ook van de gebeurtenissen rondom zijn leven. Als de verslagen afzonderlijk van elkaar waren verzonnen, waar komt dan die samenhang vandaan? Niettemin zijn er ook opvallende verschillen in chronologie en manier van beschrijving, die ieders eigen perspectief laten zien. Waar het op neerkomt, is dat ze teveel op elkaar lijken om redelijk te veronderstellen dat ze het allemaal afzonderlijk hebben verzonnen en dat ze teveel van elkaar verschillen om te veronderstellen dat ze het in commissie verzonnen hebben.
- Is er klaarblijkelijk sprake van legendevorming in het document? Ik zou je hier kunnen verwijzen naar C.S. Lewis die als literair historicus wist wat hij zei: 'Ik heb heel veel legendes gelezen in mijn leven en wat de Evangeliën ook zijn, legendes zijn het niet.' In vergelijking met antieke geschriften (neem bijvoorbeeld de Metamorfosen van Ovidius) zijn de Evangeliën juist opvallend sober in hun beschrijving van 'bovennatuurlijke' zaken. Jezus doet af en toe wel een wonder, maar (irritant genoeg voor zijn omgeving en voor vele lezers nu): hij geneest meer mensen niet dan wel.
Dan een aantal externe criteria - dit zijn meer metavragen over de tekst:
- Welk belang kunnen de auteurs gehad hebben bij het schrijven van hun tekst en in hoeverre heeft dit ertoe geleid dat ze dingen gingen verzinnen? De betrouwbaarheid van een verslag neemt af als de auteur er geld, macht, status enz. mee kon verdienen, maar hij neemt toe wanneer de auteur er alleen maar mee kon verliezen. Het is duidelijk dat de schrijvers van het NT niets te winnen hadden door hun claims. Zij kregen er een hoogst ongemakkelijk leven door en stierven bijna allemaal de marteldood. We kunnen op basis daarvan als waarschijnlijkheid aannemen dat zij in elk geval zelf vast overtuigd waren van hun claims. Althans, als iemand wil beweren dat zij bewust logen, ligt de bewijslast bij degene die dat wil beweren.
- Hierbij moeten we overigens wel bedenken dat onze postmoderne tijd zozeer bedacht is op verborgen agenda's en machtsclaims dat ze die overal wel kan vinden. Als je zoekt naar belangen en erop uit bent die aan te tonen, vind je ze altijd wel. Uiteraard geldt dat ook ten aanzien van mensen die koste wat kost niet willen geloven dat het NT historisch betrouwbaar is. Misschien is het goed om te beklemtonen dat een zeker belang bij iets nog niet aantoont dat dat 'iets' niet waar is. Van de schrijvers van het NT kunnen we in elk geval zeggen dat, wat hun verborgen belangen ook geweest mogen zijn, ze er van buitenaf gezien niets mee opschoten.
- Weten we iets van de auteurs dat hun integriteit twijfelachtig maakt? Dat heeft te maken met het vorige punt. Wanneer mensen een smet op hun blazoen hebben, zijn we - terecht of niet terecht - minder geneigd om hun beweringen te geloven. Zeker als het beweringen zijn op het vlak van religie en ethiek. Van de schrijvers van het NT weten we niets crimineels. Integendeel, zij maken de indruk vrij gewone joden te zijn, met tamelijk hoge ethische standaarden. Wie tussen de regels lezend toch meent slinkse streken te kunnen aanwijzen, moet inderdaad wel heel diep tussen de regels lezen. En daarmee voorbij gaan aan alles wat we verder van hen weten. Zij wisten kerken te stichten en te leiden temidden van vervolgingen, wat iets zegt over hun capaciteiten, moed en volharding. Zij kozen 'against all odds' voor een levensstijl en overtuiging die misschien wel hun intelligentie maar toch niet hun karakter in twijfel trekt. Latere critici van het christelijk geloof, zoals de Griekse schrijver Celsus, hebben dan ook niet zozeer kritiek op het karakter van de schrijvers als wel op hun klaarblijkelijke ongeschooldheid en gebrek aan retorische en literaire vorming. De christelijke geschriften waren te ongepolijst en te weinig versierd met stijlbloemkes om de geletterden te kunnen bekoren. Dat was aanvankelijk een grote belemmering voor iemand als Augustinus (354-430), hoogleraar in de retoriek te Milaan, om christen te worden: de slechte stijl van de bijbel. Hij was dat beter gewend in de retorica-scholen. Later ging hij de oorspronkelijke kracht van die geschriften toch waarderen.
- Bestaan er andere bronnen op basis waarvan wij de inhoud van het document kunnen bevestigen en de authenticiteit ervan staven? Uiteraard moeten deze externe bronnen wel eerst zelf met behulp van dezelfde criteria onderzocht worden. Het auteurschap van de evangeliën wordt bevestigd door tal van 2e-eeuwse bronnen, die er heel wat dichter op zaten dan wij. Over Jezus schrijven (zij het kort) ook niet-christelijke auteurs als Tacitus (55-120), Suetonius (ca. 110), Plinius (ca. 120), Josephus (ca. 37-97) en anderen.
- Is er archeologische ondersteuning of spreken opgravingen de beweringen van deze bron juist tegen? Er zijn in de 19e eeuw en in de eerste helft van de 20e eeuw heel wat claims gedaan door voorbarige onderzoekers die zeiden dat het NT nooit archeologisch ondersteund was. Inmiddels zijn die claims heel wat bescheidener. Is bijvoorbeeld lange tijd getwijfeld of Pilatus ooit wel bestaan had, inmiddels hebben we een inscriptie met zijn naam en functie. Wat betreft de volkstelling van Quirinius (6 v.C., onze jaartelling loopt achter): hoewel er geen direct archeologisch bewijs is gevonden voor exact die volkstelling, weten we dat zulke tellingen regelmatig voorkwamen. We hebben het hier natuurlijk over een hele tijd geleden en over een land dat talloze malen door oorlogen verwoest is. Het bodemarchief is fragmentarisch. Het zou onredelijk zijn om te eisen dat alles in de Evangeliën door de archeologie bevestigd moet worden. Maar wat we kunnen zeggen is: er zijn geen archeologische vondsten die de Evangelië tegenspreken en er zijn er veel die overeenstemmen met wat de Evangeliën zeggen.
- Zouden tijdgenoten van de auteurs belang hebben gehad bij 'vervalsing' van het document? Welk belang kan dat zijn geweest? Het christendom is ontstaan in een zeer vijandige omgeving. Tijdgenoten hadden er alle belang bij om het verhaal over Jezus te weerleggen. Zij hadden daartoe ook alle gelegenheid, want de christenen hadden geen bal te vertellen. Echter, al degenen die de betrouwbaarheid van de vroege christelijke overlevering aanvochten, traden op eeuwen na Jezus. In de begintijd werden de claims niet aangevochten door buitenstaanders op basis van hun waarheidsgehalte. Ze werden gevaarlijk geacht, maar niet onwaar. Dat het graf leeg was en dat Jezus wonderen deed, werd niet ontkend. Men noemde wel andere verklaringen: Jezus zou zijn wonderen hebben gedaan door Beëlzebul en de discipelen zouden het lichaam van Jezus hebben gestolen (daarop ga ik nog in). Wanneer buitenstaanders (die er alle belang bij hadden de christelijke claims te ontzenuwen) informatie hadden gehad die het christelijk geloof weerlegde, waarom kwamen ze er dan niet mee voor de dag? Waarom het lichaam van Jezus niet aan de stadspoort gehangen? Het ging om een kleine, zwakke groep, die niettemin als gevaarlijk werd beschouwd. Waarom wel vervolging te vuur en te zwaard, maar geen ontkrachting van de claims?
Conclusie
Op basis van deze interne en externe criteria denk ik dat het redelijk is om de Evangeliën in principe te beschouwen als documenten die betrouwbare historische claims doen. Er is op voorhand geen zwaarwegende historische reden om die claims als historische claims af te wijzen. Tenminste, zolang we ons door onze levensovertuiging er niet toe laten verleiden voor de Evangeliën ineens heel andere criteria aan te leggen. Maar dat is een ander verhaal. Toch denk ik dat het voorgaande belangrijk is, omdat het belangrijk is om te weten hoe je leest. Als je er al bij voorbaat van uitgaat dat het NT één grote leugen is, dan volstaat het om een paar teksten bij elkaar te rapen en te roepen 'zie je wel?'. Je hoeft dan niet meer de moeite te nemen om per tekst te beargumenteren waarom die niet klopt; het feit dat ze in een leugenachtig boek staan is al voldoende. Maar als je in redelijkheid mag veronderstellen dat de Evangeliën in het algemeen historisch betrouwbaar geacht mogen worden, dan ga je de teksten ook op een andere manier tegemoet. Niet onkritisch, maar wel met openheid voor de mogelijkheid dat hun historische claims kloppen.
Ten slotte: het hele bovenstaande verhaal sluit helemaal niet uit dat er niet toch fouten kunnen staan in de Evangeliën. In de beste documenten kan verkeerde informatie binnensluipen. Maar wanneer we goede redenen hebben om op basis van 'gewone' historische criteria een document in het algemeen betrouwbaar te achten, ligt de bewijslast bij degene die fouten wil aantonen. Hij of zij dient dat te doen op basis van een gezonde historische argumentatie en niet op basis van metafysische vooroordelen over wat mogelijk of niet mogelijk is in deze wereld (daar kom ik nog op terug als ik het heb over de opstanding van Jezus). Ik wil graag benadrukken dat mijn geloof er niet van afhangt of er niet ergens een foutje in de Bijbel staat. Daar doe ik echt niet zo moeilijk over. Waar het mij om te doen is, is dat het algemene beeld van Jezus dat geschetst wordt in de Evangeliën betrouwbaar is. En ik denk dat dat zo is. Niet op basis van revelatie, maar op basis van informatie.
Brief 2: Waarom het NT in het algemeen betrouwbaar is overgeleverd
Inleiding
In mijn vorige brief heb ik beargumenteerd dat het NT voldoet aan de normale historiografische criteria voor wat als betrouwbare bron mag gelden. Daarmee is nog niet veel gezegd over eventuele fouten of tegenspraken binnen die bron, maar de benadering is daarmee, zoals bij elke in principe betrouwbare bron: we gaan uit van de betrouwbaarheid van een passage in zo'n bron, tenzij het tegendeel wordt aangetoond. Veel mensen willen eerst uitgaan van de onbetrouwbaarheid, tenzij een christen het tegendeel kan aantonen. Ik hoop inmiddels duidelijk gemaakt te hebben dat dit geen redelijke eis is. In deze brief wil ik duidelijk maken dat we in principe alle klassieke geschiedschrijving naar de schroothoop kunnen verwijzen (en met heel wat meer recht dan we dat bij het NT zouden doen) als we die omgekeerde bewijslast zouden toepassen. Ik beperk me in deze brief opnieuw tot de Evangeliën. Anders wordt het gewoon teveel. Bovendien worden daar de meeste claims over Jezus gemaakt en juist met de algemene betrouwbaarheid van het beeld van Jezus in de Evangeliën is veel zo niet alles in mijn geloof gemoeid. Hier volgt nog een aantal argumenten die die betrouwbaarheid verder ondersteunen. Ik stip ze kort aan en verwijs je verder graag naar de genoemde literatuur.
Argumenten voor de historische betrouwbaarheid van de Evangeliën
- Er is waarschijnlijk geen literair corpus in de wereldgeschiedenis waarover meer geschreven is dan over de vier Evangeliën. We hebben dus een brede basis om onze conclusies te funderen. De evangeliën worden door iedereen gedateerd tussen 50 en 100 na C. Er zijn een paar kleine uitschieters naar beneden en naar boven, maar in feite is dit consensus. Daarvoor zijn ontzettend veel interne en externe argumenten die allemaal in de vakliteratuur te vinden zijn. Eén enkel argument noem ik hier: de stad Jeruzalem werd in 70 n. C. veroverd en verwoest door Titus, zoon van Vespasianus, na de Joodse opstand van 68. Dat was misschien wel de meest ingrijpende gebeurtenis ooit uit de Joodse geschiedenis. Je mag verwachten dat zo'n gebeurtenis zijn sporen heeft nagelaten in literatuur die door Joden is geschreven in die tijd en in dat gebied. Nu vind je in het boek Handelingen (het boek in het NT dat na de Evangeliën komt) daarvan geen sporen. Zelfs aan het eind van dat boek reist Paulus nog rustig naar een onverstoord Jeruzalem. Dit, met tal van andere argumenten, leidt tot een datering van het boek Handelingen vóór het jaar 70. Het evangelie van Lucas, van dezelfde schrijver, is daarvoor geschreven, zoals blijkt uit Handelingen hoofdstuk 1, vers 1. Dat leidt tot een datering van Lucas rond het jaar 60. Lucas heeft weer gebruik gemaakt van Marcus voor een aantal zaken, zoals blijkt uit een vergelijking. Enz., enz. Ik wil je niet vermoeien met de pagina's argumenten. Lees het na (zie de literatuur bovenaan deze pagina) en controleer mijn betoog. De hoofdstroom van de nieuwtestamentische wetenschap gaat ervan uit dat Marcus het oudste evangelie is, geschreven voor het jaar 60 (dus maximaal één generatie na Jezus' kruisdood, ergens tussen 30 en 35). Lucas komt volgens de meesten daarna en Mattheü wordt verondersteld verwijzingen te bevatten naar het beruchte jaar 70 (al verschillen de meningen). Dit kan dan gedateerd worden iets na 70. Johannes wordt algemeen gezien als het laatst geschreven evangelie (tussen 90 en 100).
- Overigens moet ik hier nog bij zeggen dat de brieven van Paulus (althans sommige) vroeger gedateerd worden dan de Evangeliën. Meestal wordt ervan uitgegaan dat de eerste brief aan de Thessalonicenzen bijv. rond 50 dateert. Hoe dan ook, de fundamentele tradities rond Jezus zijn opgeschreven in een tijd dat de meeste ooggetuigen nog in leven waren, ook degenen die vijandig stonden tegenover het ontluikend christendom. Matteüs en Johannes, die de twee laatste Evangeliën schreven, waren zelf ooggetuigen geweest. Men gaat ervan uit dat een van de redenen om ze te schrijven was dat de eerste ooggetuigen op leeftijd begonnen te komen en het verhaal wilden bewaren voor het verder onderwijs aan het nageslacht. Ook speelde hier uiteraard de snelle verspreiding van het christelijk geloof een rol. In allerlei uithoeken werd gevraagd naar informatie over Jezus, zodat die op papier moest komen. Dit kan ook een plausibele verklaring zijn voor de vraag waarom Johannes en Matteüs pas later begonnen met schrijven. Zij konden het zelf vertellen, overal waar zij kwamen en pas toen ze hun eigen einde voelden naderen, schreven zij het verhaal op.
- De evangeliën werden geschreven in een vijandige omgeving. Er waren voldoende mensen die erop uit waren om te ontzenuwen wat daarin stond. Dat is uiteraard een belangrijke controlefactor om je bronnen goed te onderzoeken (vgl. Lucas hoofdstuk 1, de verzen 1 t/m 3). Deze drie factoren: de korte periode tussen Jezus en de eerste schriftelijke overleveringen, de ruime beschikbaarheid van ooggetuigen en een zeer kritische omgeving, zijn voor een historicus sterke argumenten om de betrouwbaarheid van deze overleveringen in een sympathiek daglicht te zien. Daar hoef je geen christen voor te zijn.
- Een andere overweging daarbij is dat de eerste christenen joden waren. Op Lucas na waren de Evangelieschrijvers dat ook, evenals Paulus. Nu neem ik aan dat je weet dat van alle godsdiensten in de oudheid juist het jodendom strikt monotheïstisch was. Een mens die zich god noemde was een ongekende gedachte. Het is opvallend dat uitgerekend hier en niet in Griekenland of in Rome of waar dan ook, de gedachte opkwam dat een Joodse man die gedurende 30 jaar rondliep in Palestina God zelf zou zijn. Elke ketterij was denkbaar, maar uitgerekend dit was en is onverteerbaar voor religieuze joden. De schrijvers, onder wie Paulus, een rabbi nota bene, moesten hoe dan ook wel zeer overtuigd zijn. Zij waren de minst goedgelovige mensen op dit punt in de oude wereld.
- Ik noemde al het verschijnsel van bronnen. De Evangeliën kwamen niet uit de lucht vallen. Lucas vermeldt zelf het gebruik van onderzoek en navraag. De tweede eeuwse Papias vermeldt dat de Griekse tekst van Matteüs (de enige die wij kennen) een vertaling zou zijn van een daaraan nog weer voorafgaande Hebreeuwse tekst. Dat kunnen we niet meer controleren, maar het wijst erop dat ook hier bronnen gebruikt zijn. Uit een vergelijking van de drie eerste Evangeliën blijkt dat zij gebruik maakten van minimaal één onafhankelijke en oudere bron, door geleerden Q (van het Duitse Quelle) geheten. Paulus, die zoals gezegd nog eerder schreef, vermeldt in feite ook informatie over Jezus die overeenkomt met de claims die in de Evangeliën over hem worden gedaan. Het genre van zijn brieven is echter niet gericht op biografie, dus ik laat die verder rusten. Waar het op neerkomt, is dat we, rekening houdend met het gebruik van bronnen en de in de joodse samenleving nauwkeurige mondelinge overlevering, zeer dicht bij de feitelijke gebeurtenissen komen. In termen van historisch onderzoek kun je het eigenlijk niet mooier verlangen, zeker voor zo'n tijd geleden. Om een vergelijking te maken: de overleveringen over Siddharta Gautama (de Buddha) zijn opgeschreven zo'n 6 eeuwen na diens dood. Daar zou een historicus zijn hand niet voor in het vuur steken.
- Op buiten-Bijbelse tradities over Jezus bij auteurs uit die tijd ga ik nu niet in. Je vindt ze in de literatuur. Ze bevestigen, hoewel het fragmentarische vermeldingen zijn (het christelijk geloof was in die vroege tijd natuurlijk nog maar een kleine beweging in een uithoek van het Romeinse rijk), wat wij weten uit de Evangeliën.
- Ik zei al iets over 2e-eeuwse getuigen. Er zijn vroeg-christelijke schrijvers, die schrijven in de eerste decennia van de 2e eeuw of zelfs nog eerder (vanaf ca. 90), die zelf nog de leerlingen van Jezus hebben gekend en hen identificeren als evangelieschrijvers. Papias noemde ik al. Daarnaast bijvoorbeeld Polycarpus en Ignatius. Zij citeren ook vaak uit de Evangeliën en andere boeken van het NT, die blijkbaar toen al literair gefixeerd waren en als gezaghebbende overlevering werden beschouwd.
Argumenten voor de betrouwbaarheid van de overlevering van de Evangeliën
Dan iets over de documentatie. De eerste tekst van de Evangeliën hebben we niet meer. Wij kennen niet het eigen 'handschrift' van Matteüs. Uiteraard werden de Evangeliën vanaf hun ontstaan verspreid en vermenigvuldigd, door ze over te schrijven. Dat was toen nu eenmaal de enige manier. Wij weten op basis van de oudtestamentische handschriften, dat dat overschrijven door Joden zeer nauwkeurig gebeurde, juist omdat het heilige overleveringen betrof. De verschillen tussen bijv. de Codex Leningrad (AD 1000), die de hele tekst van het Oude Testament (het eerste deel van de bijbel) bevat en de Qumranrollen (2e eeuw v. C.) zijn niet noemenswaard. In meer dan 1000 jaar overschrijven is daar dus nauwelijks iets aan veranderd en niets dat ons inhoudelijk zeer hoeft te verontrusten. We mogen aannemen dat, zeker in het begin van de eerste eeuw, toen het christendom nog een grotendeels joodse aangelegenheid was, dezelfde nauwkeurige standaards werden gehandhaafd. Hoe dan ook, de oudste complete handschriften van het NT die wij hebben, zijn de Codex Vaticanus en de Codex Sinaiticus, beiden daterend van rond 350 AD. Daarnaast zijn er nog 2 of 3, van iets later datum. In totaal zijn er duizenden handschriften die delen van het NT bevatten, waaronder de Evangeliën. Daarmee is het NT op grote afstand het best gedocumenteerde tekstcorpus uit de geschiedenis. Het zwelgt letterlijk in de handschriften. Er is een grote mogelijkheid aan controle en goede tekstkritiek - ongedekte leemtes zijn er al helemaal niet - en daaruit blijkt nergens dat we goede redenen hebben om ernstig te twijfelen aan de kwaliteit van de tekst zoals die nu voor ons ligt. Vele handschriften zijn nog (veel) ouder dan 350 AD. Dit zijn vooral papyrusfragmenten. Er is bijvoorbeeld het Chester Beatty papyrus met de vier Evangeliën en het boek Handelingen, daterend uit het begin van de 3e eeuw. Het Papyrus Bodmer II, daterend rond 200, bevat de eerste 14 hoofdstukken van Johannes en grote stukken van de laatste 7 hoofdstukken. Een nog ouder papyrus ligt in de John Rylands Bibliotheek van Manchester. Het dateert uit 130 n. C en bevat delen van Johannes hoofdstuk 18. Dit is gevonden in Egypte en hieruit blijkt dat het Evangelie van Johannes dat 30 jaar daarvoor werd geschreven (hoogstwaarschijnlijk in Efeze), in die periode al wijd verspreid was. Er zijn wel handschriften die nog vroeger worden gedateerd, maar wat ik hierboven noem is in hoge mate consensus.
Al die handschriften laten natuurlijk hier en daar wel verschillende lezingen zien. Dat is te verwachten bij al die duizenden overschrijvingen, hoe zorgvuldig het ook gebeurt. Het overgrote deel (meer dan 90%) van die varianten betreft zaken die slechts in 1 of 2 handschriften voorkomen of in handschriften die om allerlei wetenschappelijke redenen als van mindere kwaliteit worden aangemerkt (bijv omdat de overleveraar blijk geeft van een geheel eigen agenda, of van een gebrekkige kennis van het Grieks e.d.) en daarmee niet in aanmerking komen. De verschillen die overblijven betreffen voor het overgrote deel spelling en grammatica. Werkelijk inhoudelijke varianten betreffen minder dan 1/10 % van alle varianten. En vanwege het enorme aantal handschriften is hier altijd een redelijke gok mogelijk. Er is altijd vergelijkingsmateriaal beschikbaar. Geen enkele belangrijke christelijke leerstelling is gebaseerd op een tekst die twijfelachtig is, of waarover geen eenstemmigheid heerst qua tekstuele overlevering.
Vergelijking met andere klassieke werken
Misschien moet ik hier even een vergelijking maken om het in perspectief te zetten. Julius Caesars, Over de Gallische oorlog (geschreven tussen 58 en 50 v. C.) bevat heel wat noodzakelijke informatie over zijn veldtochten naar Gallië en Brittannië. O.a. Asterix en Obelix had niet geschreven kunnen worden zonder deze documentatie. Om over ergere zaken maar te zwijgen. Van dit werk bestaan verschillende handschriften. Slechts 9 of 10 daarvan zijn in goede staat en de het oudste dateert van 900 jaar na Caesar. Livius (59 v.C.-17 AD) schreef 142 boeken over de Romeinse geschiedenis. Vele gymnasia zouden hun lesprogramma aanzienlijk kunnen bekorten wanneer deze boeken er niet waren. Van al deze boeken zijn er nog 35 over. We hebben daarvan niet meer dan 20 enigszins belangrijke handschriften, waarvan er slechts 1, met fragmenten uit boek III-VI uit de 4e eeuw AD stamt. De rest is jonger.
Van de 14 boeken van Tacitus' Historiae (ca. 100 AD) bestaan er nog 4 en een beetje van een vijfde. Van de 16 boeken van zijn Annales zijn er nog 10 volledig en 2 gedeeltelijk over. De tekst van de overgebleven fragmenten van deze twee historische werken (zonder dewelke wij van Romeinse keizers uit de eerste eeuw bijzonder weinig tot niets zouden weten) berust op twee handschriften, een uit de 9e een een uit de 11e eeuw AD (middeleeuwen dus). Zijn andere werken kennen we alleen uit een codex uit de 10e eeuw. Het boek Historia van Thucydides (ca. 400 v. C.) kennen we uit 8 handschriften van omstreeks 900 AD en enkele papyrusfragmenten uit het begin van de 1e eeuw. Idem dito voor Herodotus en zijn Historia. Dertienhonderd jaar verschil dus. Wanneer wij op al deze klassieke werken ook maar bij benadering de stringente eisen zouden toepassen die meestal op het NT worden toegepast, bleef er niets van over. Onze geschiedenis zou ineens een stuk korter worden. Nu kan het NT met zijn duizenden en nog eens duizenden handschriften waarvan de oudste vrijwel op de bron zitten, een dergelijke benadering gemakkelijk doorstaan, wanneer we ons tenminste niet laten leiden door de inmiddels al meermalen vermelde antimetafysische vooroordelen. Maar ik wou het toch even zeggen.
Conclusie
Ik ga omwille van de ruimte nu niet in op andere christelijke overleveringen en alternatieve Evangeliën (die allemaal van later datum zijn). Ook hierover kun je voldoende vinden in de literatuur.
Kortom, we hebben hier een document dat voldoet aan alle normale historiografische criteria van wat we als een betrouwbare bron aanmerken (wat niet hoeft te betekenen dat er geen foutjes in kunnen staan). Deze bron is gebaseerd op een tekstuele overlevering die zijn gelijke niet kent in de wereldgeschiedenis. Deze bron zit zeer dicht op de beschreven feiten en is tot stand gekomen in een uiterst kritische omgeving en geschreven door juist op dit punt weinig goedgelovige mensen die er weinig tot niets bij te winnen hadden. Alle reden dus om hem met sympathie en welwillendheid te benaderen. Dit nog afgezien van het feit dat een historicus zijn bronnen altijd met een zekere sympathie zal moeten benaderen, wil hij nog historie overhouden. Maar zelfs als we (om welke reden dan ook) voor het NT de lat flink hoger leggen dan voor andere literatuur uit die tijd, blijft het bovenstaande gelden.
Atheïsme: hoe werkt het en waarom werkt het zo?
Hoe werkt het en waarom werkt het zo?
Twee manieren om iets te weten te komen
Atheïsme is het geloof in geen god. Atheïsten zelf zullen het geen 'geloof' noemen, maar een gefundeerde overtuiging. Immers, voor geloof in God bestaat geen bewijs, dus waarom zou je in Hem geloven, anders dan om er troost en dat soort dingen aan te ontlenen? Maar dat betekent dat je om onzindelijke redenen gelooft: het is een gestolen troost en vreugde, wanneer men die haalt uit een niet op onweerlegbare feiten gebaseerde overtuiging.
Misschien is deze gedachte nog het beste weerlegd door William James (bekend van zijn Varieties of Religious Experience) in zijn The Will to Believe (besproken door de Canadese filosoof Charles Taylor in Wat betekent religie vandaag?). Hij stelt dat er in de praktijk twee wegen tot kennis zijn:
- via methodische twijfel komen wij tot zekerheid: zekere kennis bereiken we via twijfel aan alles. M.a.w. wij wantrouwen tot wij zeker weten dat wij kunnen vertrouwen - dit is de wetenschappelijke methodiek;
- via vertrouwen geven ontsluit zich een nieuwe werkelijkheid - sommige domeinen zullen voor ons verborgen blijven als wij niet bereid zijn hen minstens halverwege tegemoet te komen ('heb je mij graag of niet?') - dit past vooral in relaties.
Deze beide wegen sluiten elkaar niet uit, dat is belangrijk om te zien. De meeste mensen gebruiken beide methodes in hun leven, ook als zij geen wetenschappers zijn. Als je bijvoorbeeld een huis koopt, zul je zoveel mogelijk methode 1 gebruiken: je gaat pas over tot betaling als je zekerheid hebt. Maar natuurlijk moet je daarbij ook wel vertrouwen geven: je kunt nooit helemaal uitsluiten dat je geflest wordt.
Methode 2 gebruiken we elke dag. Wanneer we bijvoorbeeld nieuwe vrienden maken, kan dat alleen door onszelf te geven. Pas als we dat gedaan hebben, komen we erachter of het verstandig was om dat te doen. Als je een toekomstige vriend eerst op de methodische pijnbank legt om te kijken of hij / zij wel betrouwbaar is, zal hij / zij nooit je vriend worden. Relaties beginnen met vertrouwen. Daarom is het ook zo traumatisch wanneer vrienden onbetrouwbaar blijken te zijn: je vertrouwen wordt beschaamd. Maar er is geen andere weg naar echte relaties.
Er zijn dus gevallen waar een feit (bijvoorbeeld een goede vriendschap) zelf niet kan voorkomen en ons treffen, tenzij er een voorafgaand geloof of vertrouwen is dat het zal voorkomen. Geloof (= vertrouwen geven) kan in feite een feit 'oproepen', het te voorschijn helpen komen. Wie dit ontkent, sluit zich af voor een aanzienlijk deel van onze werkelijkheid. En misschien wel het belangrijkste deel.
Dit is exact de claim van het christendom (en waarschijnlijk van veel andere religies): om God te vinden, zul je eerst moeten geloven. Dat wil zeggen: je moet beginnen met vertrouwen geven, je openstellen, jezelf kwetsbaar maken. Je kunt niet eerst om een bewijs of om absolute zekerheid vragen. Dat is namelijk beginnen met wantrouwen. En wantrouwen doodt elke mogelijkheid voor een relatie. Geloof vraagt dus om liefde voor en vertrouwen in het object van geloven, wil dit object zich aan ons voordoen.
In deze manieren om tot kennis te komen, staan angst en hoop op een zekere gespannen voet. Enerzijds is er angst om te snel te komen tot het aanvaarden van zekerheden die onvoldoende zijn getest (methode 1). Anderzijds is er hoop dat nieuwe werkelijkheden zich aan ons zullen voordoen wanneer we ons ervoor openstellen (methode 2).
De atheïst sluit in feite de tweede manier uit. Hij houdt slechts rekening met de eerste manier. De angst om zich te vergissen weegt voor hem zwaarder dan de mogelijkheid van nieuwe kennis. Ditzelfde geldt overigens ook voor de agnost: wie zijn oordeel opschort, geeft eveneens te kennen dat de tweede mogelijkheid voor hem geen optie is. Vertrouwen geven houdt risico in op vergissing en zowel de atheïst als de agnost wil dat risico niet nemen. Men verliest liever de kans om nieuwe waarheid te leren kennen dan dat men de kans op een vergissing riskeert. De levensbeschouwelijke ethiek van atheïsme en agnosticisme laat zich dan ook in één regel formuleren: het is beter toe te geven aan angst dan aan hoop.
Wat is atheïsme eigenlijk en wie zijn atheïsten?
Een probleem met atheïsme is dat we wel kunnen zeggen wat het niet is, maar heel moeilijk wat het wel is. De naam suggereert een samenhangende levensovertuiging, maar in de praktijk kunnen atheïsten heel verschillend in het leven staan.
Hans Ree zegt het in een column in het NRC aldus: 'Als het voor de gelovige al zo moeilijk is om zijn geloof te benoemen, hoeveel moeilijker moet het dan niet voor de ongelovige zijn om te weten wat het precies is waar hij niet in gelooft? Toch weet hij zeker dat hij in honderden verschillende religies niet gelooft, een ware krachtprestatie.'
Meestal gaat het om hoger opgeleide mensen, met een groot vertrouwen in de wetenschap en in de waarden van de Verlichting (waarvan doorgaans de christelijke wortels worden ontkend of geminimaliseerd).
Net als bij gelovigen, speelt opvoeding een grote rol bij het atheïst worden. Hoewel slechts 16% van de Nederlandse bevolking zich als atheïst beschouwt, geldt dat voor 44% van de (in totaal ruim 30%) niet-kerkelijk geboren Nederlanders. Echte atheïsten zijn vooral onder hen te vinden, ongeacht een geruchtmakende minderheid die zich graag afzet tegen een godsdienstige opvoeding. Piet Borst, iemand die regelmatig nogal badinerend schrijft over geloof in het NRC, is veel meer een typische atheïst dan bijvoorbeeld Maarten 't Hart: 'Mijn voorouders hebben al
in de negentiende eeuw de kerk aan de kant gedaan en mijn ouders hebben geen last gehad van een christelijk recidief. Opgegroeid in een vanzelfsprekend atheïsme, ben ik nooit gehinderd door twijfel of er niet toch ièts was.'
August Hans den Boef, verklaard atheïst, heeft dus ongelijk als hij zegt dat heidenen zelden 'via de erfelijke route' tot hun overtuiging zijn gekomen. Het verwijt van Richard Dawkins, dat de onwaarheid van geloof duidelijk blijkt uit het feit dat vrijwel alle gelovigen opgevoed zijn met geloof, kan in net zo sterke mate gemaakt worden aan atheïsten.
Over het ontstaan van het moderne atheïsme verschillen de meningen. In hogere kringen waren er altijd wel atheïsten of agnosten geweest. Denk bijvoorbeeld aan Lucretius, maar ook Van Deursen laat in zijn Bavianen en Slijkgeuzen zien dat zelfs het zeer religieuze zeventiende-eeuwse Nederland al (min of meer) niet-gelovigen telde. Echter, in die tijd werd godsdienst in het algemeen nog wel gezien als goed voor de normen en waarden. De hogere klassen bezochten daarom vaak wel de kerkdiensten, 'om het goede voorbeeld te geven'.
Voor het ontstaan van het moderne atheïsme kunnen we wijzen op verschillende oorzaken. Atheïsten zelf noemen hier vaak Charles Darwin en de evolutietheorie. Deze theorie maakte het inderdaad mogelijk (maar niet noodzakelijk!) om te geloven in een wereld die door tijd en toeval is ontstaan, zonder toedoen van een schepper. Maar het is niet zo dat het moderne atheïsme begon met een wetenschappelijke revolutie, alsof toen ineens een waarheid werd ontdekt die lang verborgen was. Het is veel meer zo dat het darwinisme een ondersteuning was voor het atheïsme (of zeer vaag theïsme) dat zich bij een aantal mensen al had gevormd om andere redenen. Hier wordt enerzijds gewezen op het zeventiende en achttiende-eeuwse Frankrijk, waar een onderdrukkend regime zich had verbonden met een verzwakte versie van katholicisme. Dit injecteerde de Franse invloedrijke denkers met een sterke aversie tegen religieus geloof. Anderen, zoals Alister McGrath in zijn nieuwste boek (The Twilight of Atheism), wijzen op het rationalistische protestantisme in het Europa van de negentiende en twintigste eeuw als voedingsbodem voor atheïsme. Een protestantisme dat steunt op leerstellingen en waaraan de ervaringsdimensie ontbreekt, is zeer vatbaar voor godsdienstkritiek en geeft aanhangers weinig weerstand tegen andere denksystemen. Hij ziet de huidige verschuiving richting een meer evangelicaal en charismatisch getint geloof dan ook als uiterst heilzaam en noodzakelijk.
Dat het protestantse denken van invloed is geweest op secularisatie, betoogt ook Charles Taylor: in het protestantisme zit een sterke individuele tendens. De werkelijk vrije mens moet zich ontworstelen aan dood conformisme en lege rituelen, aan magie en hiërarchie. Een opvallend kenmerk van de westerse opmars naar secularisering is in feite dat ze vanaf de aanvang was verweven met een drang naar persoonlijke religie. Voor velen is het dan maar een kleine stap om te menen dat een echt innerlijk engagement ons zou moeten bevrijden van de religie. De 'ethiek van het geloof' vraagt ons om, wanneer we moeite krijgen met bepaalde leerstellingen, te breken met het geloof, wanneer men ernstig en innerlijk geëngageerd wil zijn. Authentiek leven is dan: leven zonder knellende banden van traditie en religie.
De merkwaardige intolerantie van moderne atheïsten
In elk geval heeft een en ander ertoe geleid dat religie 'not done' is onder Westerse intellectuelen, althans in Europa. In grote meerderheid bekent men zich tot humanistische Verlichtingsidealen als alternatief voor het christendom. John Gray, een invloedrijke Engelse historicus, die zelf beslist niet gelovig is, heeft daar ernstige kritiek op. Het huidige westerse verlichtingsdenken negeert het bij uitstek christelijke gedachtegoed dat daaraan ten grondslag ligt. Atheïsme is een product van het christendom (Strohonden, 121-122). Het humanisme heeft zich, volgens hem ten onrechte, verslingerd aan de idee van vooruitgang en de maakbaarheid van mens en samenleving. Dit vooruitgangsgeloof heeft sterke religieuze wortels. De paradox, volgens Gray, is dat nu juist gelovigen hun twijfels hebben bij dit soort ideeën. Zij hebben leren leven met twijfel, aldus Gray, een twijfel die atheïsten node lijken te missen. Gray, in een interview met Bas Heijne: 'De humanisten gaan om met godsdienst, zoals de Victorianen met seks. Het is een bijna klassiek geval van repressie.'
Min of meer parallel hiermee loopt een andere observatie van Charles Taylor (Sources of the Self, deel 1, hst 3), namelijk dat de westerse filosofie (inzonderheid de ethische filosofie van het Kantianisme met zijn universaliseringseis en het utilisme met zijn nuttigheidseis) enerzijds de idee van een 'hypergood', dat al het andere oordeelt en verheft, heeft verworpen, maar anderzijds wel degelijk de idealen van altruïsme, vrijheid en universaliteit zodanig huldigt, dat zij fungeren als 'hypergood'. De vrijheid die men zegt te beleven, na zich ontworsteld te hebben aan de klassieke morele tradities, wordt direct weer ingeleverd. Anders gezegd: athe ïsten leven volgens waarden die zij niet kunnen funderen op hun eigen geloof.
Hoezeer een enigszins eng aandoend vooruitgangsgeloof vooraanstaande atheïsten te pakken heeft, zien we in de bundel Leven zonder God, waarin elf atheïsten worden geïnterviewd. Volgens Hans Ree herinnert de titel aan blijmoedige boeken als Bevallen zonder pijn en Liefde zonder vrees en, inderdaad, de toon is grenzenloos optimistisch. Daarbij valt vooral op dat men groot heil verwacht van het afschaffen van de godsdienst. In feite is de religie voor de mannen (!) het enige obstakel op weg naar een heerlijke toekomst. Ik vermoed dat deze tonen alleen maar schriller zullen worden als ook tot deze, nog in het modernisme gevangen en grotendeels door de academie beschermde mensen, zal doordringen dat de wereld er niet veel beter op wordt. Het woord 'vooruitgang' heeft weliswaar grote retorische kracht, maar in feite is het een denkconstructie. De wereld verandert wel, maar wordt er niet per se 'beter' op ('beter', gemeten naar welke norm, overigens?). Deze atheïsten zullen daarom voor de keus staan om hun idealen op te geven of een zondebok te zoeken 'waarom het toch niet lukt'. Het laat zich raden wat het zal worden.
Inderdaad is het opvallend dat atheïsten zo ontstellend rancuneus en intolerant blijken te zijn tegenover religie. Religie is een achterhaald, irrationeel en kwaadaardig verschijnsel, waarvan onze samenleving zo snel mogelijk moet worden verlost. Het verontrustende is dat juist intelligente mensen, die zich beschouwen als het weldenkende deel van de natie, hier alle registers opentrekken van intolerantie en intellectuele terreur.
In de zomer van 2005 draaide bijvoorbeeld het programma 'God bestaat niet' van de tv-makers Robbie Muntz en Paul Jan van de Wint. Een absoluut stuitend en grof beledigend programma, zoals te verwachten valt van iemand die eerder al meende joden te moeten provoceren door in Hitleruniform door de straten van Wenen te paraderen. In het eerste deel galmde de in cowboyoutfit gestoken en op een preekstoel staande Muntz: 'Ongelovigen vormen wereldwijd een kleine minderheid van zo'n 2,5%. Dat getal neemt alleen maar af. Er is een tendens dat fundamentalistische gelovigen aan invloed winnen. De kerk waar dit shot was opgenomen, was overigens via een bedrieglijke constructie gehuurd van een nietsvermoedende parochie, die er via de rechter niet meer in slaagde deze uitzending te voorkomen. Muntz beklom ook nog de preekstoel, verkleed als duivel en mocht schuimbekkend op de grond gaan liggen, terwijl zes als non, monnik, imam, rabbijn, indiaan en sjamaan verklede jongens en meisjes biddende bewegingen maakten. Deze fijnzinnige en intelligente benadering werd ondersteund door een interview met hersenonderzoeker Dick Swaab, verklaard atheïst, die voor de camera mocht verklaren dat wij mensen niet meer zijn dan onze hersens en dat wij volstrekt gedetermineerd zijn door onze biologische impulsen. Op zich is het al merkwaardig dat atheïsten, met al hun beroep op menselijke vrijheid en waardigheid, hun toevlucht moeten nemen tot dit soort dehumaniserende wetenschap, maar vooruit. Interessanter is de vraag wat nu deze botte bijlstrategie rechtvaardigt in hun ogen.
Muntz spreekt van een 'kleine minderheid' van ongelovigen wereldwijd. Daar valt iets op af te dingen: in Nederland zijn ongelovigen duidelijk in de meerderheid en het programma werd in Nederland uitgezonden. Bovendien zijn ongelovigen vaak degenen die de culturele en intellectuele elites beheersen. Het debatje rondom Intelligent Design in het late voorjaar van 2005 liet dat goed zien. Wat het RVU-programma deed was dus in feite niet meer dan het trappen naar een slinkende minderheid in ons land. Televisierecensent Hans Beerekamp meende in het NRC nog een andere rechtvaardiging te kunnen vinden: christelijke of religieuze omroepen mogen op primetime hun programma's uitzenden, terwijl dit soort 'atheïstische zending' pas na middernacht zendtijd krijgt, 'als de godvrezende kijker al naar bed is'. Naar zijn mening slaat de RVU 'namens de weldenkende minderheid terug'. Tja, wie de uitzendingen van KRO, EO en dergelijke omroepen (waarin niemand bewust beledigd wordt, maar waarin alleen het eigen standpunt onder woorden wordt gebracht) wil vergelijken met een uitzending waarin via grove belediging geparasiteerd wordt op standpunten van anderen, kan veel goedpraten.
Ongetwijfeld is dit soort onverdraagzaamheid niet de stijl van de meerderheid van de Nederlandse atheïsten, maar dan toch wel van de elite die aan het woord komt in het eerdergenoemde Leven zonder geloof en in de bundel Nederland seculier! van August Hans den Boef. Naarmate men meer nadruk legt op ratio en koele overweging, gaat men irrationeler en onverdraagzamer te werk richting het geloof. De rechterhersenhelft wreekt zich op de linker, zo lijkt het. Argumenten ad hominem, non sequiturs, halve waarheden en eenvoudige retoriek overheersen bij iemand als Rudy Kousbroek in een groot artikel in het NRC. En ook hij zegt: 'We zijn al eeuwen bezig de religie uit onze instellingen te verdrijven; het is zaak dat karwei snel en grondig af te maken'. Schnell und gründlich, waar hebben we dat meer gehoord?
Joris Bartstra, arts en wetenschapper, pleit in een ingezonden brief voor het gedwongen opvoeden van christelijke kinderen op openbare scholen, om hen van die ellendige indoctrinatie met het geloof af te helpen. Sowieso heeft het bijzonder onderwijs het te verduren van onze atheïsten. Het is niet meer van deze tijd, zo klinkt het, om kinderen vol te stoppen met religie op kosten van de staat en dus van ons aller centen. Afgezien van de vraag of op christelijke scholen niet ook gewoon geleerd wordt (en blijkens onderzoeken beter dan op de meeste openbare scholen), kun je natuurlijk dezelfde redenering loslaten op de defensiebegroting (waaraan pacifisten meebetalen), voor gelovigen stuitende culturele programma's als dat van Muntz en De Wint (die ook van hun centen worden betaald), openbaar onderwijs waar atheïsten onze lieve kinderen indoctrineren, behandelingen van longkanker (waaraan ook niet-rokers meebetalen), integratieprogramma's (waarvoor ook racisten opdraaien) enzovoort.
Deze hartstocht laat zich moeilijk verklaren op louter intellectuele gronden. In de woorden van Otto Weiss: 'Niet weinigen onder de ontwikkelden hebben een atheïstisch hoofd en een gelovig gemoed'. Wat mij inderdaad het meest treft, is dat je dit soort onverbloemde onverdraagzaamheid en bitterheid aantreft bij een groep mensen van wie je het minst zou verwachten, althans naar hun eigen zelfbeeld geredeneerd. Het gaat hier om 'de ontwikkelden', de bloem der natie, mensen die zich beroemen op hun zindelijke, afgewogen en tolerante oordeel. Het voertuig van de rede wordt bij hen gemend door de koetsier van de afkeer. Je zou er bijna psychologische verklaringen op loslaten.
Oorzaken
Misschien moeten we dat ook doen. De psycholoog Paul Vitz verklaart atheïsme uit een gebrekkige vaderbinding. Hij laat overtuigend zien dat de meeste grote atheïsten van de afgelopen eeuw een verstoorde relatie hadden met hun vader of dat hun vader afwezig was. Atheïsme is zodoende een vorm van projectie: het is het Oedipale verlangen om de eigen vader te doden en diens plaats in te nemen. Het negatieve beeld van de eigen vader wordt geprojecteerd op God.
Ik vind het wel charmant om het grootste wapen van de atheïsten (de projectietheorie) om te keren tegen het atheïsme zelf. Ooit zei in ons land de psychiater Rümke al dat ongeloof voortkomt uit een gebrek aan vertrouwen, vermoedelijk veroorzaakt door een gebrekkige psychische vorming in de kinderjaren.
Tegelijk, en Vitz zegt dat ook, is het als algehele verklaring te simpel. Als we dergelijke theorieën een allesverklarende kracht zouden toekennen, zouden we mensen (in dit geval atheïsten) te gemakkelijk 'wegzetten'. Psychologische verklaringen hebben als nadeel dat het degene die de verklaring levert in een soort onaantastbare positie brengt, van waaruit hij of zij kan neerkijken op die 'ander' die toch zo door zijn psyche wordt gekweld. Zowel geloof als ongeloof kent meer ontstaansfactoren dan psychische behoefte of levenservaringen. Toch bieden deze psychologische verklaringen een manier om meer te begrijpen van het zo starre en eenzijdige redeneren van veel zeer intelligente en voor het overige waarschijnlijk zeer tolerante atheïsten als het gaat om godsdienst. Voor hen lijkt er veel meer op het spel te staan dan de waarheid alleen.
Dit toont zich ook in de nooit aflatende (en deels terechte) kritiek van atheïsten op het geschonden blazoen van de kerk in het verleden. Men wijst op een historie van onderdrukking en vervolging. Nu, dat klopt ook wel, zeker als je met een forse penseel schetst en niet let op het vele goeds dat er ook gevonden werd. Echter, in de woorden van Hans Ree: 'maar de ongelovigen zijn nog maar twee eeuwen bezig en hebben de schade al meer dan ingehaald.'
Dat zou ik zeggen, ja. Is er ook maar één voorbeeld te bedenken van een atheïstisch regime dat niet eindigde in stromen van bloed? De Franse revolutie, Mexico, de USSR, China, Cuba, Cambodja. Veel meer dan bij christelijk geïnspireerde regimes lijkt het atheïsme, eenmaal aan de macht, onlosmakelijk verbonden met terreur en onderdrukking. Op dit punt zijn er geen uitzonderingen! En daarbij heeft men nooit geschuwd massa's mensen (werkelijk massa's!) af te slachten voor de goede zaak, de seculiere heilstaat. Al deze regimes begonnen met enthousiasme: eindelijk vrijheid en heil voor het volk. Gruwelijkheden waren het resultaat. Als we de geluiden van Nederlandse atheïsten tot ons laten doordringen, komt dat patroon angstwekkend bekend voor. Het zou atheïsten te denken moeten geven dat er nimmer een atheïstische regering is geweest die op de langere termijn ook maar enig goeds heeft gebracht aan een volk en daarbij vast wist te houden aan haar dogma's. Vanwaar de verzwijging en ontkenning van dit fenomeen bij de intellectuelen in de genoemde bundels? Vermoedelijk omdat de erkenning van dit gegeven, namelijk dat een seculiere heilstaat een onmogelijkheid is, de atheïsten in de genoemde bundels van hun laatste hoop zou beroven. Naarmate dit besef meer doordringt, zal hun verzet tegen geloof scherper en onredelijker worden, zo leren de wetten van de cognitieve dissonantie.
Vooruitgang als seculiere religie
In deze terreur van het atheïsme spelen, kortom, twee elementen een rol:
- Een verlangen naar een seculiere vooruitgang, uitmondend in een vreedzame en tolerante wereld. Dit verlangen wortelt in het verlichtingshumanisme en is in feite een seculiere versie van de christelijke theologie van het Koninkrijk van God. De matiging die het christelijk geloof daarin aanbrengt: de doorwerking van de zonde, onze afhankelijkheid van genade en het eschatologisch ingrijpen van God, zijn echter vervangen door een grenzeloos vertrouwen in eigen kunnen en de maakbaarheid van alles. Juist in onze tijd wordt dit vertrouwen ernstig aangevochten en is het in feite door grote massa's al ingeruild voor het zoeken naar genoegen in het hier en nu of door een nieuwe zoektocht naar bezielende waarheden. Echter, juist de eerlijke zielen van intellectuele humanisten kunnen daarmee geen genoegen nemen (Andreas Burnier zei al dat het de gevoelige zielen zijn die atheïst worden). Daarmee komt een tweede element naar voren.
- Een individuele psychische structuur die zich kenmerkt door ontkenning en repressie van onwelgevallige feiten, kortom: cognitieve dissonantie. Juist de intellectuelen en bevoorrechten, met hun grote vermogens om hun eigen leven te 'maken' zullen zich het laatst neerleggen bij het fiasco van het seculier humanisme. Zij zullen, wanneer zij de gelegenheid daartoe hebben, dissonante geluiden met kracht opruimen. Het bestaan van (christelijk) geloof in een samenleving die daar nu toch wel eens overheen zou moeten zijn, is daarom juist voor deze mensen een steen des aanstoots. Het confronteert hen met het tekortschieten van hun eigen wereldbeeld en de onwaarachtigheid van hun levenshouding.
Genoemde literatuur
- August Hans den Boef, Nederland seculier!, Amsterdam 2003
- August Hans den Boef, 'Waarom heidenen geen onmensen zijn: Ietsisten zijn gelovigen, of ze nu willen of niet', NRC 26/7/03
- Piet Borst, 'Theologie wetenschappelijk?', NRC 28/6/03
- Ger Groot, 'Verlos ons van den hoge: Het intolerante gelijk van seculier Nederland', NRC 20/6/03
- John Gray, Strohonden, Amsterdam 2002
- Bas Heijne, 'Tafelgesprekken (8): John Gray', M: Maandblad van NRC-Handelsblad (sept. 2003), 6-9
- Rudy Kousbroek, 'Vlees, vis of vleesvervanger: Kanttekeningen van een ongelovige', NRC 4/7/03
- Alister McGrath, The Twilight of Atheism: The Rise and Fall of Disbelief in the Modern World, London 2004
- Hans Ree, 'Atheïsten', NRC 29/4/03
- V. Rümke, Karakter en aanleg in verband met het ongeloof, Baarn 1949
- Charles Taylor, Sources of the Self: The Making of the Modern Identity, Cambridge 1989
- Charles Taylor, Wat betekent religie vandaag?, Kapellen 2003
- Harm Visser, Leven zonder God: Elf interviews over ongeloof, Amsterdam 2003
- Paul Vitz, Faith of the Fatherless: The Psychology of Atheism, Dallas 1999
|
|